Opinie

    • Sjoerd de Jong

De krant gaf slachtoffers van MH17 pas laat een gezicht

Een krant informeert, maar dient ook een gemeenschap, van lezers, van geestverwanten, van stads-, streek- en landgenoten. Hoe ver moet je daarin gaan bij een nationale ramp, zoals de ontstellende crash van MH17 in Oekraïne?

Een ramp in retrospectief – na twee weken afwezigheid op deze plek.

Allereerst, wat mij opnieuw opvalt, is wat een indrukwekkende machinerie een krant in hoogtijdagen kan zijn. Volume en kwaliteit van de berichtgeving over de vliegramp en de nasleep daarvan, waren ontzagwekkend – vanaf dag één. Ook de nieuwe vormgeving betaalde zich uit, vond ik, bijvoorbeeld in de acht pagina’s met Negentien vragen over de ramp (22 juli), die helder werden gepresenteerd, en tegelijk met een soberheid die bij het drama past.

Opmerkelijk was dat NRC Handelsblad, in tegenstelling tot andere media, op enkele uitzonderingen na geen namen van slachtoffers noemde en geen verhalen bracht over hen, of hun nabestaanden. De eerste dag van de ramp was de blikrichting van de krant overwegend feitelijk, internationaal en politiek. Terecht, maar ook erg zakelijk voor een ‘drama voor Nederland’ zoals de kop op de voorpagina luidde; die krant bevatte geen enkele foto uit Nederland.

Een dag later, op zaterdag, werd dat accent wél gegeven, met een foto van een Nederlandse vlag halfstok op de voorpagina. Maar bij het eerste overzicht van slachtoffers in diezelfde krant (Van student, schoolkind, muzikant tot advocaat, 19 juli) bleven namen achterwege, en werd gesproken van „een studente geneeskunde”, „een 12-jarige jongen”, of „de woordvoerder van de WHO”.

Die prudentie werd onder het stuk toegelicht met een mededeling van de hoofdredactie dat de krant „op basis van de gedragscode” terughoudend is met het vermelden van namen van slachtoffers. Daarmee zal het Stijlboek bedoeld zijn, maar dat voorziet in feite vooral in regels voor het anonimiseren van verdachten of daders. Over slachtoffers wordt niet met zoveel woorden gesproken.

Los van dat Stijlboek is de uitleg van de hoofdredactie: terughoudendheid is geboden bij zo’n menselijk drama, alleen al omdat deze mensen er niet voor hebben gekozen om in de publiciteit te komen. De krant vindt het niet haar taak om dat zonder medeweten van de nabestaanden alsnog te doen. Een uitzondering werd gemaakt voor twee publieke personen, senator Willem Witteveen en aids-onderzoeker Joep Lange, die een necrologie kregen (zonder foto).

Lezers konden zich goed in die voorzichtige lijn vinden, blijkbaar, kritische opmerkingen heb ik er niet over gekregen. Wél over sommige plastische formuleringen over de rampplek, over de online vermelding van de woonplaats van de dochter van Poetin (na een opmerking van burgemeester Broertjes) en over een vermelding van rampvlucht MH17 in de puzzel op de Mediapagina.

Toch was er wel discussie op de redactie. Want maakte het niet noemen van namen de verslaglegging over de ramp niet ook onpersoonlijk, of zelfs kil? Plaatste de krant zich zo niet buiten de eigen gemeenschap? De slachtoffers krijgen snel een gezicht stond boven een stuk – onder een foto van rouwende mensen, op de rug gezien. De televisierecensent versterkte die lijn, met een pleidooi onder de kop Geef de slachtoffers geen gezicht. Met hetzelfde argument: deze mensen hadden er niet voor gekozen om „postuum beroemd te worden”.

Inderdaad, terughoudendheid met persoonlijke details is bij zo’n ramp geboden en getuigt van piëteit. Zeker bij deze krant, die de afgelopen jaren een paar lelijke uitglijders maakte met privacy. Normaliter pleit ik dan ook voor distantie, omdat die past bij NRC Handelsblad. Het overzicht op zaterdag was ingetogen, en, al klinkt het vreemd, smaakvol.

Maar met die stellige mededeling erbij schilderde de krant zich wel in de hoek. Want om te beginnen vroegen juist nabestaanden zelf al snel aandacht voor hun omgekomen dochters, zoons, ouders, vrienden en kennissen. Dat is óók een manier om te gedenken. Sommigen belden met de krant. The New York Times liet met een portrettengalerij zien dat zoiets heus op een ingetogen, respectvolle manier kan worden gedaan.

Want, cruciaal: dit was geen vliegramp zoals we die kennen. Deze Nederlanders zijn niet verongelukt, maar gedood bij een gevechtshandeling; zij zijn geen verkeersslachtoffers (waar iedereen die vliegt wel eens bang voor is), maar oorlogsslachtoffers. Dat maakt de context compleet anders: de schok, de woede, de behoefte aan herdenking en aan medeleven met de slachtoffers.

Ook NRC Handelsblad voelde die behoefte, want een week nadat de regering de namenlijst van slachtoffers had gepubliceerd – ook opmerkelijk – bracht de krant een compleet katern met foto’s van de woon-, slaap- en werkkamers van zestien met naam genoemde slachtoffers (De leegte die achterblijft, 30 juli). Een project van fotografe Ilvy Njiokiktjien, dat de chef fotoredactie was opgevallen en dat door de krant werd opgenomen.

Waarom dat dan wél? Sommige lezers namen aanstoot aan de indringende foto’s van lege privévertrekken.

Omdat, zegt de hoofdredactie, dit een subtiele serie was, waar nabestaanden aan hadden meegewerkt.

Goed. Hoe dan ook stond die reeks foto’s, ondanks het gestileerde karakter ervan, volledig haaks op die eerdere mededeling over namen en privacy. Die was in mijn ogen dan ook te stellig, wat je ook van de fotoserie vindt. Bij een geweldsdaad waarbij 196 Nederlanders omkomen, verdient het verhaal van ‘gewone’ slachtoffers en nabestaanden een plaats in de krant. Jammer dat de krant dat niet eerder deed. Want ook deze krant, die twee weken lang dagelijks op hoog niveau verslag deed, ontkwam er uiteindelijk niet aan hun, althans sommigen van hen, een gezicht te geven – of ten minste een naam.

Het verstrijken van de tijd speelt daarbij ook een rol, zegt de hoofdredactie: gaandeweg zal het verhaal van meer slachtoffers een plaats in de krant krijgen.

Dat is terecht. Deze ramp zal nog lang bij ons blijven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong