‘Bij ons gold: áls je iets deed, dan moest het goed zijn’

Ze zijn allebei een dochter van een beroemde vader en kozen allebei voor hetzelfde vak als hun vader. Advocaat Tamara Buruma en mezzo-sopraan Nora Fischer in gesprek over ambitie, Facebook, afkomst en hoge verwachtingen. „Mijn vader is een perfectionist, dominant, iemand die de lat hoog legt.”

Bij het ontbijt, zondagochtend half elf, zitten ze naast elkaar op een bank in de tuin. Een diep bord met yoghurt en fruit op schoot, hotelkoffie op tafel. „Qua vakgebied liggen we ver uit elkaar”, zegt Tamara Buruma (28).

Nora Fischer (27): „Bij wat ik doe ligt de nadruk meer op emotie, bij wat jij doet meer op ratio.” Ze neemt een hap. „Maar uiteindelijk komen we op hetzelfde uit.”

De behoeftepiramide van de psycholoog Abraham Maslow loopt naar boven spits toe. Aan de brede basis staan eten en slaap. Daarna veiligheid en zekerheid. Een huis, werk. Dan sociaal contact, gevolgd door behoefte aan waardering en erkenning.

Helemaal aan de top van de piramide staat de behoefte waarin de gezegende Nederlander zich graag mag vastbijten: zelfontplooiing. Daar is het dringen, je kunt er bijna niet staan. Velen vallen er vanaf. Die blijven zoeken, verstrikt in keuzen en kansen. Verlamd door de gedachte: ‘maar wat wil ík?’

Nora Fischer en Tamara Buruma werden bij hun geboorte op het allerhoogste puntje gedropt. Beiden groeiden op in vrede en welvaart. Nora in Londen en Amsterdam-Zuid, Tamara in Leiden en Nijmegen. Nora’s vader is de Hongaarse dirigent Iván Fischer – hij treedt regelmatig op bij het Koninklijk Concertgebouworkest. De vader van Tamara is Ybo Buruma, oud-hoogleraar en raadsheer bij de Hoge Raad. Zie daar maar eens bovenuit te komen.

Alle reden om van dat puntje af te vallen dus. Maar Nora en Tamara bleven staan. Ze vonden hun evenwicht terwijl ze kozen voor de moeilijkste weg, de wereld van hun succesvolle vader. Nora als zangeres, nieuwe muziek, maar ook klassiek en alles daar tussenin. Ze brak vorig jaar door met een vernieuwend stemgeluid, ze krijgt prachtige recensies in alle kranten. Ze trad op in het Holland Festival, zong een hele uitzending van VPRO’s muziekprogramma Vrije Geluiden vol, was tweemaal te gast bij De Wereld Draait Door. Dan heb je het wel gemaakt.

Tamara legde als jonge strafrechtadvocaat bij EenVandaag kraakhelder uit waarom haar cliënt, Hofstadgroeplid Samir A., wel naar het buitenland zou moeten mogen afreizen. Ze doet genocidezaken en de Urker visfraudezaak, ze trad op namens belangengroepen tegen Wilders en tegen Zwarte Piet. Ze werkt in Amsterdam bij het gerenommeerde Prakken d’Oliveira, de nieuwe naam van Böhler Advocaten.

Soms is het alsof ze dezelfde taal niet spreken, al in de mailwisseling vooraf niet. ‘Sent from the moon’, stond in er kleine letters onder e-mails van Nora. Onder die van Tamara: ‘Verstuurd vanaf de iPad.’

Half zes, de avond ervoor. We zijn in de bibliotheek van Duin en Kruidberg in Santpoort. De leren fauteuil van Nora Fischer blijkt breed genoeg voor een kleermakerszit. Ze draagt een wijde blauwe broek en is net aangekomen met de trein en de bus. Ze heeft er een slopende week met voorstellingen op De Parade op zitten.

Tamara Buruma zit tegenover haar in een turkooise blouse, één been stevig op de grond, het andere er dame-in-de-dop-achtig overheen geslagen. Ze is uit Amsterdam komen fietsen met haar man, hij is daarna weer teruggegaan. Ze zijn samen sinds haar zeventiende, ze leerden elkaar kennen bij de coopertest tijdens de gymles op school. „We zijn”, zegt ze, „nu drie jaar getrouwd.”

Nora: „Wauw!”

Tamara: „Ik wilde trouwen zodat onze relatie ook in de formele wereld zou bestaan. Zodat het, als er met een van ons iets mis zou gaan en in het ziekenhuis zou komen te liggen, duidelijk is wie er wat te zeggen heeft. Dat is stiekem de jurist in mij.”

Nora: „Grappig. Daar zou ik nou nooit aan gedacht hebben.”

Nora zegt dat ze „verschillende ervaringen met lange, korte en verbroken relaties” achter de rug heeft. Ze weet niet zo zeker of ze nog wel in levenslange liefde gelooft.

Haar ouders scheidden toen ze drie was. Daarna ging het weer een poosje aan en toen toch weer uit. „Heel heftig allemaal”, zegt ze.

Ze verhuisde met haar moeder en zus van Londen naar Amsterdam. Ze zag haar vader alleen nog tijdens zijn korte bezoekjes aan Amsterdam, en in vakanties. Dan ging ze naar Hongarije en sliep ze niet op de camping, zoals tijdens de vakanties met haar moeder, maar in vijfsterrenhotels. Iván Fischer is in het land waar hij vandaan komt een nog grotere beroemdheid dan hier, al woont hij er niet meer.

Nora: „Mijn zus en ik hadden als kind best een beetje hulp nodig door al die toestanden, maar mijn ouders hadden hun eigen problemen waardoor dat niet altijd lukte. Mijn zus ging heel moeilijk doen, bij mij is het geïmplodeerd. Ik zat vaak alleen op mijn kamer huiswerk te maken, later ging ik blowen. Uiteindelijk is het allemaal goed gekomen hoor, ik neem ze niets kwalijk. Maar het was niet altijd makkelijk.”

De ouders van Tamara Buruma scheidden toen ze twintig was. Dat ging in volledige harmonie.

Tamara: „Ik had een heel gemakkelijke jeugd, de verhuizing van Leiden naar Nijmegen is het ergste wat ik heb meegemaakt. Ik was er als kind altijd bang voor geweest dat we zouden verhuizen. Mijn ouders zeiden altijd: dat gaat niet gebeuren. Alleen als je vader hoogleraar wordt, en dat gebeurt niet. En toen gebeurde het toch.”

Water en witte wijn, brood met boter. Bij binnenkomst hebben ze elkaar beleefd de hand geschud.

Tamara: „We hebben elkaar nooit eerder ontmoet. Maar ik heb wel naar je gekeken op internet, Nora.”

Nora: „O, echt?”

Tamara: „Ik wilde enigszins voorbereid zijn.”

Nora heeft ook op internet gekeken, maar niet al te lang. „Ik vind het leuker om te denken: ik zie wel.”

Tamara: „Een beetje eng, dat mensen hun oordeel al vormen op grond van Facebook.”

Nora: „Als zangeres heb je een website en een aparte Facebookpagina. Je moet wel. Maar het is zo’n masker.”

Tamara, begripvol: „Als ik optreed in de media, dan is het als advocaat in een zaak, veel minder persoonlijk. Ik hoef mezelf niet te verkopen.”

Nora: „Ik ben niet zo goed met pr. Je moet als performer een spotlightdrang hebben, maar ik heb niet zo de behoefte mezelf ‘beroemd’ te zien worden en daar alles voor te doen.”

Tamara Buruma heeft twee jaar blokfluitles gehad en daarna pianoles. Nu kan ze alleen nog sinterklaasliedjes spelen. „Ik ben totaal niet muzikaal ontwikkeld”, zegt ze. „Maar ik moest wel noten kunnen lezen, haha. Dat was thuis een minimumvereiste voor een algemeen ontwikkeld persoon. Ik heb wel goeie herinneringen aan de Vier Jaargetijden van Vivaldi, want als dat werd opgezet vroeger, op zondagochtend, dan betekende het dat we uitgebreid gingen brunchen, met vers geperst sinaasappelsap en zo.”

Nora, oprecht enthousiast: „O ja? Elke week?”

Tamara: „Nee, nee, af en toe.”

Nora: „Ik zet ook bijna nooit klassiek op. De druk die ik dan voel…”

We zitten aan tafel in de serre van het restaurant. Het gesprek komt op de verwachtingen die hun ouders van hen hadden, de cultuur thuis.

Tamara: „Mijn ouders waren open en makkelijk, maar ze gingen er wel van uit dat we presteerden. Toen mijn zusje op haar dertiende, veertiende op school niets wilde uitvoeren, begrepen ze dat oprecht niet. Ik dacht: als ze geen zin heeft in vwo, laat haar dan. Maar mijn ouders zeiden: een goeie opleiding, dat wíl je gewoon. Die waren daar zó van overtuigd.” Haar moeder is huisarts, gepromoveerd op palliatieve zorg, en onder andere actief in de hulpverlening aan illegalen.

Vond ze wel eens dat haar ouders te veel met hun werk bezig waren?

Tamara: „We vonden het heerlijk om ze ermee te pesten. Moet je nou alweer weg? Maar ze vonden het leuk wat ze deden, het maakte hen gelukkig, en dan krijg je als kind mee dat werken niet iets vreemds of vervelends is.”

Lag het vast dat ze rechten zou gaan studeren? Tamara: „Totaal niet. Mijn vader dacht: wil je dit wel echt? Hij wilde vooral niet mijn keuze beïnvloeden. Ik heb in mijn eindexamenjaar nog wel even verder gekeken, juist omdat rechten zo voor de hand lag. Geschiedenis, en zelfs luchtvaart- en ruimtevaarttechniek in Delft.”

Nora: „O, wauw.”

Tamara: „Ze waren daar dolblij met mijn interesse, maar het is toch rechten geworden.”

Nora: „We moeten autonoom kiezen in Nederland, hè. We mogen ons niet laten beïnvloeden door onze ouders, dat heeft iets negatief. Terwijl er ook heel veel culturen zijn waarin het gewaardeerd wordt: iets doorgeven van ouders op kind.”

Tamara: „Ja, ja, bij familiebedrijven wordt het als iets heel moois gezien als kinderen hun ouders opvolgen. Bij mij vragen ze: kon je niet iets anders verzinnen?”

Op de middelbare school koos Tamara een bètaprofiel, maar pas toen ze zeker wist dat ze daar ook rechten mee kon gaan doen. Ze deed er op de universiteit een studie politicologie bij om meer te leren over terrorisme, nationalisme, de samenleving. Ze studeerde twee keer cum laude af.

En Nora?

Nora: „Zes studies. Niks helemaal afgemaakt.”

Ze heeft toch twee bachelors?

„Ja, ja. Musicologie en filosofie.”

En haar opleiding in Kopenhagen? (Die was aan het Complete Vocal Institute.)

„Ja, ja, die heb ik ook afgemaakt. Het eerste deel dan.”

En haar master aan het conservatorium in Den Haag?

Onwillig: „Afgemaakt.” Dat was de master New Audiences and Innovative Practice.

Nora: „Bij ons thuis gold: áls je iets deed, dan moest het goed zijn. Ik bleek een getalenteerd pianist. Ik had zulke goeie vingertjes, dus kreeg ik de beste lerares, een heel strenge, en toen was het: jij wordt meesterpianist. Op mijn elfde haatte ik dat instrument. Ik sloeg er nog alleen maar op, letterlijk. Toen nog een half jaartje pop-piano, een wanhoopspoging. Daarna ben ik gestopt.”

Op haar vijftiende ging ze bij een kinderkoor. „Dat was superleuk. Ik was zo blij dat er een plek was op de wereld waar ik gelukkig kon zijn.” Op school, het Hervormd Lyceum in Amsterdam-Zuid, had ze het moeilijk. Bekakte, verwende kinderen en hooguit één op de hele school die een instrument speelde. In die tijd ging ze vaak mee met haar vader. Ze zat naast hem bij repetities, keek en luisterde naar hem. „Hij was toen een soort godheid voor mij.” Bij een opera in Lyon was ze eens zo onder de indruk van een zangeres dat ze wist: dit wil ik ook. Ze ging naar het conservatorium in Amsterdam, maar werd er na een half jaar afgestuurd.

Nora: „Ze zeiden: je luistert helemaal niet naar ons. En dat was ook zo. Ik wilde niet gewoon maar doen wat ze zeiden. Muzikaal was ik volgens hen veel verder dan technisch, ik moest van hen die muzikaliteit helemaal loslaten, alleen nog technisch denken. Er ontstond discussie tussen leraren onderling. Zulke leerlingen hebben we juist nodig, zeiden sommigen. Maar mijn lerares hield zo sterk vast aan de klassieke tradities dat we uiteindelijk te veel botsten.”

Wat vond haar vader ervan dat ze werd weggestuurd?

Nora: „Heel erg moeilijk. Hij was vreselijk bezorgd: je techniek, hoe hou je nou je techniek op orde! Elke keer begon hij er weer over. Mijn moeder begreep het wel en heeft me altijd gesteund.” Zij was blokfluitiste en liet zich op haar vijftigste omscholen tot onderwijzeres.

Op internet vond Nora een nieuwe muziekopleiding, die in Kopenhagen. Ze pakte haar tas en vertrok.

Nora: „Een totale gok, maar zonder die opleiding was ik niet geweest wie ik nu ben. Op het conservatorium had ik alle plezier in zingen verloren. Een conservatorium heet niet voor niets zo. Bewaarder van tradities. In Kopenhagen leerde ik de noten laten klinken zoals ik het wil. Daar gaven ze alleen het gereedschap en zeiden ze: doe ermee wat jij wilt.”

Heeft haar vader zich erbij neergelegd?

„Hij heeft vertrouwen in me gekregen sinds ik werk heb. En hij is trots dat ik een duidelijk eigen richting heb gekozen.”

Na de amuses, vlak voor zonsondergang, gaan Nora en Tamara met de fotograaf mee naar de tuin. In de verte zien we ze samen kletsen, de hoofden naar elkaar toe gebogen. Als ze weer terug zijn, vragen we waar ze het over hadden.

Tamara: „Dat jullie het de hele tijd over onze vaders willen hebben.”

Vinden ze dat vervelend?

Nora: „Nou, het was te verwachten, hè.”

Tamara: „Het is prima, hoor. We zijn eraan gewend.”

Nora: „Iedereen doet het altijd. Maar nu ik wat ouder ben, begint het minder te worden. Of mensen vragen aan mijn vader of hij de vader van Nora is. Dat is grappig.

Tamara: „Ja, dat heb ik ook wel eens!”

Nora: „Het begint om te draaien.” Ze pauzeert even en zegt dan dat de invloed die haar vader op haar heeft complex is. „Ik had nooit kunnen doen wat ik doe zonder hem, zonder zijn inspiratie. Ik heb zoveel rijkdom meegekregen in mijn werk. Tegelijkertijd is hij een perfectionist, dominant, iemand die de lat hoog legt.”

Twee zoons met zulke vaders, zou dat lastiger zijn geweest?

Nora: „Misschien dat meisjes minder de concurrentie aangaan en meer bevestiging bij hun vader zoeken?”

Tamara: „Misschien dat een zoon eerder wordt vergeleken met zijn vader, in alles wat hij doet.”

Zelf betrapt ze zich er soms op hoe ze op haar moeder lijkt, bijvoorbeeld als ze met een cliënt aan de telefoon zit. „Zoals ik dan klink, zo klonk mijn moeder als ze een patiënt aan de lijn had.” Nog zoiets: in een restaurant kijkt ze graag om zich heen om te zien wie er nog meer zitten en dat doet haar moeder ook altijd. „Als pubermeisje vond ik dat heel erg vervelend, dat mijn moeder dan hardop ging fantaseren: o, die mensen daar, zij is vast ook huisarts en hij… Nu doe ik dat dus ook.”

We zeggen dat ze allebei hebben gekozen voor een wereld vol competitie.

„Zo voelt het niet”, zegt Tamara, al werkt ze soms hele nachten lang door om alles wat ze moet doen af te krijgen.

„Echt?” vraagt Nora. „Dat hoor ik ook wel van vrienden van me die in de advocatuur zitten.”

Tamara: „Maar dat doe ik niet tegen mijn zin. En ik doe het ook alleen maar als het echt nodig is, niet omdat de cultuur bij ons op kantoor zo is. Waar jij het over hebt, dat zijn vaak advocaten van de Zuidas-kantoren.” Ze heeft weleens zo’n grote zaak gehad dat ze tegen haar man zei: doe maar alsof ik met vakantie ben.

Begrijpt Nora de ambitie van Tamara?

Nora: „Ambitie vind ik een moeilijk thema. Ambitie wordt als iets goeds gezien: als je kunt tekenen, moet je er iets mee, als je muzikaal bent mag het niet ongezien blijven. Maar toen ik me vorig jaar opeens richting een grote carrière zag gaan, aanbiedingen, tv, voelde ik me daar helemaal niet prettig bij. Ik heb het gezien bij grote solisten: ontworteld in je hotelkamer, een eenzaam bestaan. En voor je het weet zit je in een spiraal van ontevredenheid: oké, je bent bij DWDD geweest, wat nu? Dan ben je altijd in de toekomst aan het kijken. Ik wil me liever verdiepen in nieuwe richtingen en me niet bezighouden met dingen als status.”

Denkt ze dat haar vader ongelukkig is in zijn werk?

Nora: „Poe, dat is een heel moeilijke vraag. Ik zou dat niet durven zeggen. Hij is ermee opgegroeid. Zijn zus is psychiater, zijn broer is ook dirigent.”

En zijn vader was dirigent. En een neef van hem ook.

„Het was echt zo’n joodse intellectuele familie. Bibliotheken vol met Goethe en Schiller. Het draaide om literatuur en muziek. Muziek, muziek, muziek, muziek.”

En daar heel goed in moeten zijn.

Nora: „Absoluut. Bij mij hóéfde het geen muziek te zijn. Op school wilde ik biologie studeren, en later sterrenkunde, en dat hebben mijn ouders altijd toegejuicht. Maar áls het muziek was, dan moest het goed zijn.”

Tamara: „Ik heb nooit gedacht dat je moet werken om een andere reden dan dat het je gelukkig maakt. Ik heb ook meegekregen dat we in een bevoorrechte positie zitten. Mijn vader zegt het wel eens na een familiefeest. Jongens, wat hebben we het goed. En waar hebben we het aan verdiend.”

Nora: „Dat is goed om je te realiseren, ja. Ik heb zoveel moois meegekregen, ik weiger om ontevreden door het leven te gaan. En ik wil er ook van genieten. Ik wil niet alleen maar opgaan in het bubbeltje van artiest zijn. Soms wil ik er even uit stappen. Reizen, andere culturen zien, community-projecten doen. Mijn blik verbreden.”

Tamara: „Ik zou ongelukkig zijn in een baan waarin de norm is: het is wel goed genoeg zo. Dat je een aansteller wordt gevonden als je hard wilt werken.”

Nora: „Maar niet om een bepaalde status te bereiken. Ik ben bang voor de verkeerde drijfveren.”

En dat zijn?

Nora: „Veel klassieke muzikanten zijn vooral bezig met: hoe kom ik op dat podium? Je móét ook wel, als jonge muzikant. Je móét erbovenuit steken, ellebogenwerk. Maar toen ik in januari een solotour deed en merkte dat ik iets bereikt had, begon het me tegen te staan.”

Tamara: „Het middel dreigt dan het doel te worden.”

Nora: „Ja, en ik wil niet kwijtraken waarom ik muziek maak.”

De gepocheerde zwartpoothoender wordt geserveerd, met ganzenlever.

Nora prikt erin met haar vork: „Heb ik nog nooit gegeten.”

Tamara: „Ik ook niet.”

Nora: „Nou ben ik het even kwijt waar we het over hadden…”

Gaat Tamara wel eens naar een klassiek concert?

Tamara: „Heel af en toe. Ik heb drie maanden in Boedapest gestudeerd en toen…”

Nora: „O, echt? Wat grappig! Wanneer?”

Tamara: „In 2009.”

Nora: „Was Fidesz toen al aan de macht?”

Tamara: „Nee, die werd ongeveer gekozen in de week dat ik wegging… Je had ook nog die partij die echt met die uniformen eh…”

Nora: „Jobbik!”

Tamara: „Ja, die. Die marcheerden de metrostations binnen en daar gingen ze dan staan... Maar goed, in Boedapest ben ik twee of drie keer naar de opera geweest en dat vond ik wel geweldig. En in Amsterdam ga ik wel naar het ballet. Voor mij hoeft het niet te experimenteel of te exotisch te zijn. Ik wil kunnen wegdromen.”

Nora: „Precies! Dat is waarom je naar een concert gaat.”

Tamara: „Misschien, denk je dan, moet ik hier wel beter en intelligenter over nadenken, maar eh…”

Nora: „Die hele intellectuele muziek is een beetje een insiderwereldje.”

Tamara: „Bij CKV2 moesten we eindeloos luisteren naar iets met twaalf noten…”

Nora: „Twaalftoons, jajaja.”

Tamara: „... en daar moesten we van alles uit halen en ik kwam toch niet van idee af, hahaha, dat het pijn deed aan mijn oren.”

Nora: „Jajajajaja.”

Tamara: „Ik vond het gewoon niet mooi en ik wil graag kunst die mooi is.”

Nora: „Of dat het lelijk is, maar dat het toch je gevoel aanspreekt.”

Tamara: „Of dat je weet wat erachter zit. Ik was in Cambodja op een architectuurtoer en ik vond die gebouwen helemaal niet zo mooi, maar als je het dan uitgelegd krijgt...”

Wat deed ze in Cambodja?

Tamara: „Werken voor Victor Koppe. Die verdedigt daar de Rode Khmer voor het tribunaal.”

Als kind kreeg ze mee dat daders empathie verdienen, en dat rechtvaardigheid niet hetzelfde is als de wet. „Mijn vader zei: stel je voor dat het je broer is, of je oom, die verdacht wordt. Daders hebben familie, vrienden, leraren die zeggen: hij zat vroeger bij mij in de klas. Het kan jou ook overkomen, dat jij daar door een of andere omstandigheid als verdachte zit.” Ze knikt nadenkend. „En of je een crimineel bent of niet, dat is ook afhankelijk van hoe de samenleving dat ziet.”

Euthanasie was vroeger moord. Homoseksualiteit was een misdrijf. Moeders die hun kinderen doden konden honderd jaar geleden op begrip rekenen, maar nu niet meer.

Bij het dessert vraagt Tamara aan Nora wat ze van André Rieu vindt.

Nora: „Niks mee mis. Er wordt vaak op neergekeken, maar ik vind dat zo kortzichtig en superelitair. Hij raakt in één concert meer mensen dan sommige klassieke muzikanten in hun hele leven.”

Tamara: „Zou je met een andere aanpak van moeilijke muziek meer mensen kunnen raken?”

Nora: „Dat wordt heel veel gedaan, of geprobeerd, en dan krijg je van die mixconcerten. Een popartiest met een klassiek orkest dat tussendoor intellectuele moderne muziek gaat spelen, en dan zijn er wel jonge mensen in de zaal en dan is de organisatie blij. Maar ik denk dan…”

Tamara: „Geforceerd.”

Nora: „Nogal ja. Ik voel dan zo’n opvoedingsachtig wijsvingertje: jullie moeten hiernaar luisteren en dit is echte kunst.”

Haar vader vraagt haar wel hoe hij een jonger publiek zou kunnen trekken, of hij nachtconcerten zou moeten geven, wat je nog kunt doen met een cd.

Nora: „Ik ben veel meer bezig met de nieuwe tijd, de nieuwe trends. Ik kies mijn positie, in de muziek, en dat vindt hij ook interessant, want hij is nieuwsgierig naar wat er nu gebeurt. Daarin lijken we op elkaar.”

Tamara zegt dat ze altijd een vaderskindje is geweest. „We praten gemakkelijk met elkaar omdat we niet gemakkelijk over onze emoties praten. Mijn moeder is daar veel beter in, je zou denken dat ik dan liever dingen met haar bespreek, maar ik doe het met mijn vader, omdat ik meer in hem herken.”

Praat ze met hem ook over haar werk?

Tamara: „Dat kan bijna niet in onze posities, elke zaak kan in potentie bij de Hoge Raad uitkomen, en dan kan het niet zo zijn dat hij allerlei dingen al weet door mij. Ik zeg wel dingen als: dan is die zitting. Of hij zegt: veel succes woensdag, maar inhoudelijk hebben we het er niet over. Tijdens mijn studie al wilde ik hem nooit iets vragen. Hooguit één keer heb ik hem gevraagd: kun je alsjeblíéft zeggen waar ik die verwijzing uit dat artikel van jou kan vinden, en daar voelde ik me niet goed bij. Ik had net als jij, Nora, de neiging om op mezelf te willen staan. Ik ben enthousiast over het vak omdat ik hem er altijd over heb horen praten, niet omdat hij mijn vader is.”

Al heeft ze niet de illusie dat haar afkomst geen rol speelt. „In een stapel sollicitatiebrieven zal een brief met mijn naam eerder opvallen. De vraag is of het wat uitmaakt. In Nederland hebben we geen systeem waarin je een baan krijgt door je vader.”

Nora: „In de muziek wel, hoor, daar is dat heel sterk. In het begin wilde mijn vader samen concerten geven, om mij bekendheid te geven. Dat heb ik geweigerd.”

Het is na twaalven als de koffie en de thee worden geserveerd, met friandises en chocola. Tamara en Nora zeggen beiden dat ze betweters zijn.

Tamara: „Ik kan eindeloos doordrammen, zo erg dat ik zelf denk: o, hou op. Voor de rechter lijkt dat handig, maar dat is het niet echt. Die weet het ook wel op een gegeven moment.” Ze lacht.

Nora: „Bij repetities ben ik verschrikkelijk, altijd moet alles snel van mij, bambambam. Dat gehang, daar kan ik niet tegen. Ik ben een tank, net als mijn vader.” Ze lacht ook.

Gaan ze het nog afleren?

Tamara: „Nee.”

Nora: „Nee.”

    • David van Dam
    • Freek Schravesande
    • Jannetje Koelewijn