‘We hadden geen hoofdredacteur’

Nieuwssites, blogs en sociale media. De journalistiek verandert in razendsnel tempo. Hoe werd de krant in de vorige eeuw gemaakt?

‘Ik wilde vanaf mijn achtste al journalist worden. Ik dacht alleen dat je daar heel oud en wijs voor moest zijn.” Geert Mak was 29 toen hij in 1975 solliciteerde bij De Groene Amsterdammer. Als wetenschappelijk medewerker staatsrecht aan de Universiteit van Utrecht schreef hij al geregeld stukjes voor het Amsterdamse opinieblad. Directeur H. P. van Leeuwen – ‘een deftig heerschap en voormalig plantagehouder’ – voerde het sollicitatiegesprek. „Hij zei: ‘Je gaat niet veel verdienen, maar we hebben een uitstekend weduwen en wezenpensioen.’”

De Groene was in de jaren zeventig een collectief zonder hoofdredacteur. Van Leeuwen hanteerde een rigide begrotingsbeleid. „De Groene had eerder al aan de rand van het faillissement gestaan. Redacteuren, ongeacht leeftijd of opleiding, kregen rond de 1.250 gulden per maand voor een werkweek van zeventig uur. Het was echt verschrikkelijk hard werken. Maar die zuinigheid wierp wel zijn vruchten af.”

De Groene was niet alleen eigenaar van het pand aan het Westeinde maar had ook een ‘aardig’ kapitaal op de bank staan. „Die reserves waren bedoeld om de redactionele onafhankelijkheid te waarborgen.” Vanwege het standpunt van de redactie kon soms een fors aantal abonnees weglopen. „Na het einde van de Tweede Wereldoorlog bleef De Groene het Indiëbeleid van de toenmalige regering stelselmatig bekritiseren. Dat is bijna fataal geweest voor die krant.” Ook tijdens de oplaaiende Koude Oorlog stond het opinieblad – eigendom van Rients Dijkstra, een progressieve advocaat – in het politieke spectrum aan de uiterste linkerzijde en liet het zich zeer kritisch uit over het Westen.

Bij het aantreden van Mak werd De Groene gemaakt door vijf redacteuren en ruim twintig vaste medewerkers. Er was geen hoofdredacteur, het collectief was de baas. „Je had twee informele aanvoerders, Paul Brill en Maarten van Dullemen, verder waren we om de beurt een paar weken eindredacteur. Er heerste een soort gentlemen’s agreement: bij twijfel liet je een stuk aan de anderen lezen. De sociale controle was groot. We waren een permanent draaiende mini-democratie. Totaal bottom-up.”

Een werkweek verliep volgens een vast stramien. Op woensdag, als de krant uitkwam, werd er uitgebreid vergaderd. „Er heerste een strenge cultuur op de redactie. Ik kwam uit een gereformeerde wereld, maar die dominees waren lachebekjes vergeleken bij al die marxistische medewerkers. Tekenaar Opland was mijn redding, met hem kon je pret maken.”

Op vrijdag kwamen de eerste stukken binnen. Op maandag was het volle bak op de redactie. „Alleen maar geratel van typemachines. Het rook naar oudbakken koffie, alles stond blauw van de rook. Dinsdagochtend waren we om een uur of zeven klaar.”

Samen met opmaakredacteur Wouter Klootwijk vertrok de dienstdoende eindredacteur op dinsdagochtend met de kopij naar Deventer waar De Groene werd gedrukt op de persen van de firma Salland. „Er werd al nauwelijks meer met lood gewerkt. Teksten werden op ponsband ingetikt. Die gingen, als ik me goed herinner, in een machine die de coderingen omzette in een mooie typografie. De stroken uit deze machine werden gecorrigeerd en daarna op een vel papier geplakt en gefotografeerd. Dan pas ging het de persen in.”

Koppen bij een artikel werden apart geplakt. Als een stuk te lang was, moest een zetter de laatste alinea’s er met een fijn mesje uitsnijden. „Een goed bericht of opiniestuk kan je van onderaf afsnijden. Als zoon van een dominee eindigde ik mijn stukjes vaak met een klaroenstoot, maar die schreef ik dus al een paar alinea’s eerder. Zo wist ik zeker dat de kern van mijn verhaal niet verloren zou gaan.”

De redacteuren die op de dinsdagochtend op de redactie achterbleven, gingen vaak ‘stoom afblazen’ met collega’s van het (voorheen katholieke) progressieve weekblad De Nieuwe Linie. „Met de meisjes gingen we hamburgers eten en ons bedrinken. Daarna reden we, tollend van de slaap, rond een uur of drie ’s middags naar huis.” Die slaperige fietstochten konden nog wel eens gevaarlijk zijn. „Rond 1977 werden in alle grachten riolen aangebracht. Veel straten lagen opgebroken. Het is ettelijke malen gebeurd dat we in zo’n gat terecht kwamen.”

De collegialiteit tussen de verschillende redacties over en weer was groot. „Als bij ons alle kopij op dinsdag al weg was en er toch nog nieuws was, ging je met zo’n stukje snel naar De Nieuwe Linie. Zij zaten bij dezelfde drukker en hadden al een fax, een ding met een rol dat stinkend en piepend, regel voor regel, zo’n velletje papier naar Deventer overseinde.”

Ook werden onderling wel eens onderwerpen en teksten uitgewisseld. „Kees Boonman, mijn onderbuurman schreef voor De Nieuwe Linie. Vaak zat hij ook een nacht door te beuken, dan gingen we rond middernacht koffie drinken en wisselden we nieuws uit. Ideeën die ik niet meer in mijn stuk kon krijgen, stopte hij dan in zijn artikel, en omgekeerd.” Ook in de jaren daarvoor werd er tussen de verschillende redacties soms nauw samengewerkt. „Die zuilen concurreerden als gekken met elkaar, maar de collegialiteit was groot. Niet iedereen kon even goed tegen de drank. Café Scheltema was een vaste verzamelplek. Bert Alberts, die in de jaren vijftig en zestig bij De Groene werkte, zat daar soms na enige consumpties met een onvoltooid commentaar. Han Lammers, toen journalist bij het AD, maakte zo’n commentaar dan even probleemloos af.”

In 1985 kreeg, met de komst van Martin van Amerongen, het weekblad voor het eerst weer een hoofdredacteur. „Hij was op dat moment de ideale persoon: modern en negentiende-eeuws tegelijkertijd. De ramen moesten open, het begon ongelooflijk muf te ruiken binnen die krant.” In dat jaar kwam ook een einde aan het redacteurschap van Mak: „Het werd tijd voor een ander publiek. Ik had me kapotgewerkt.” Zijn ‘inzicht’ kwam op een nacht bij het schrijven van de zoveelste column. „Ik dacht: ik ben net mijn vader. Hij zat altijd op zaterdagnacht zijn preken te tikken. Wat hij deed voor zijn kerk, deed ik voor de linkse gemeente. Ik wist: nu moet ik ophouden.” Mak ging aan de slag voor NRC Handelsblad en VPRO-radio. „Toen ik mijn vertrek aankondigde, zei Van Amerongen: ‘Jongen, jij hebt je velletjes voor De Groene wel volgetikt. Dat was echt een bevrijdende uitspraak. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor.’”

    • Rosan Hollak