Ruisen, zoemen en zingen

Sommige expositieruimten vormen dankzij architectuur, lichtval en omgeving een kunstwerk op zichzelf. De voormalige scheepsmotorenfabriek waar zich deze zomer de derde editie van DordtYart afspeelt is zo’n plek: hoog en licht, een ruwe structuur van baksteen, staal en glas met een prachtige kijk op de Biesbosch rondom.

Elf kunstenaars uit binnen- en buitenland valt de eer te beurt om hier een bestaand werk te exposeren en ter plekke iets nieuws te maken, met vier dagen per week de nieuwsgierige blikken van bezoekers in de rug. Wat inmiddels aan werken in de hal staat opgesteld is zo interessant dat een seizoenkaart, die onbeperkt toegang geeft, een goede besteding zou kunnen blijken.

Verveling is hoe dan ook uitgesloten. Op de tweede etage bouwde Krijn de Koning bijvoorbeeld een labyrint van schotten en tafels, Night Dwelling, dat functioneert als multiplex bioscoop voor videowerken uit de privé-collectie Dommering. De hal zelf is overgenomen door grote fantasiemachines en installaties die allemaal even ingenieus in elkaar zitten: zonder publiek ‘slapen’ ze, maar als sensoren een passant registeren beginnen ze te druppelen, ruisen, zoemen en zingen.

Thomas Bakker liet een koppel fazanten los in de hal en filmde hun parmantige verkenning van de vreemde omgeving. De 16mm-film wordt steeds even geprojecteerd op een houten blok en slaat dan met een zuchtje af – stamp je met je voet op de grond, dan start hij weer.

Fascinerend is ook Untitled (2007-2010) van Fransman Stéphane Cauchy: tien glazen trechters met water die middels katrollen op en neer worden gehesen en soms – maar wanneer, wanneer? – opeens omkiepen en leeglopen in de grote bak eronder, alsof de last van hun vrachtje ze te veel wordt. Journey to the new Jerusalem (2013) van de Armeen Karen Sargsyan is een weemoedig circus van gekleurd papier, waarin een treurig gemaskerd ensemble zich onder begeleiding van een oude grammofoon door z’n zoveelste, misschien wel laatste show sleept.

City Chase (2011) van geluidskunstenaar Paul Devens nadert heel dicht de kakofonie van een stad: uit vier luidsprekers die over dunne rails heen en weer rijden komen al die achtergrondgeluiden waar je je gewoonlijk voor afsluit. Gespreksflarden. Trams. Drilboren. Volg je met je blik de luidsprekers, dan ligt een unheimisch Big Brother-gevoel op de loer; met de ogen dicht zweef je ontspannen door een drukdoenerig stadscentrum.

De vitrines met placenta’s en navelstrengen van de Noorse Ajla R. Steinvåg (The Re-producing Gadgets, 2013) misstaan hier. Ze zijn gemaakt van siliconen, bloederig en ‘echt’ – een lomp en grotesk contrast met het subtiele technische vernuft dat ze omringt. De mens lijkt meer aanwezig in al die machines zonder nut dan in deze rode hompen. Maar met haar nieuwe werk krijgt Steinvåg de kans om zich te revancheren: samen met haar partner Paul Segers is ze bezig een ‘archeologisch werkstation’ met vreemde objecten uit de toekomst te bouwen. Dat klinkt veelbelovend: hightech en helemaal uit de duim gezogen.

    • Sandra Heerma van Voss