Het vleesgeworden innerlijke conflict

Een kleine man met een oorlogstrauma, een dandy met een zwak voor de gewone man, een tuinier en een womanizer. In Amerika vertellen zijn vrienden en vierde echtgenote over de hier zo succesvolle schrijver die daar vergeten is.

tekeningen paul van der steen

Misschien zat het in zijn naam. John Williams. Een inwisselbare naam, gemaakt voor de vergetelheid. Wikipedia telt er vele: een componist van filmmuziek, tientallen politici en atleten, zes schrijvers. Onder wie dus de Amerikaan John Edward Williams (1922-1994), schepper van een klein, maar indrukwekkend oeuvre, dat tijdens zijn leven nooit een substantieel publiek zou vinden. Zelfs niet nadat Augustus (1972) met de National Book Award was bekroond. Alsof er een banvloek was uitgesproken. En u zal tot uw dood verkeren in de schaduw...

Twintig jaar na die dood domineert Williams’ werk de Europese bestsellerslijsten, de Nederlandse voorop. De herontdekking – zeg gerust: ontdekking – begon met Stoner (1965), een roman over een onbeduidende hoogleraar aan een onbeduidende universiteit, klein gehouden door een slecht huwelijk en universitaire machtspolitiek, maar vol liefde voor literatuur en lesgeven. Daarna volgde het succes van Butcher’s Crossing (1960), een western met de impact van een oorlogsboek.

Deze week verschijnt in vertaling Augustus, een briefroman over de gelijknamige Romeinse keizer. En toch. De zichtbaarheid van het werk heeft de onzichtbaarheid van de man nauwelijks teniet gedaan. In Denver, waar hij dertig jaar les gaf aan Denver University, liep ik een boekhandel binnen die zich naar eigen zeggen hard maakt voor schrijvers uit Colorado. De naam John Williams werd er beantwoord met een glazige blik. Wie?

Dit zijn de kille biografische feiten. Geboren in 1922 in Clarksville, Texas, opgegroeid in Wichita Falls. Williams was nog een baby toen zijn vader werd omgebracht door een lifter, zijn grootouders waren boeren, zoals de ouders van William Stoner. De Depressie bracht het gezin – nu met stiefvader – overal en nergens. John las veel, had bijbaantjes als radio-omroeper en droomde van het schrijverschap, geïnspireerd door Thomas Wolfe, Evelyn Waugh – een vrouw, naar hij dacht – en Willa Cather.

Toen kwam de oorlog. Hij diende in Zuidoost-Azië, waar hij tussen de bedrijven door Nothing but the Night (1948) schreef, naar eigen zeggen ‘een waardeloze roman’. Midden jaren vijftig kwam hij naar Denver, waar hij aan Denver University Creatief Schrijven ging doceren. ‘Een universiteit is een toevluchtsoord,’ zei hij in het afscheidsinterview voor zijn pensioen, ‘op dezelfde manier waarop het klooster dat ooit was. Een plek waar iemand kan bestaan zonder toe te geven aan economische, sociale en andersoortige druk van de wereld.’ Tegelijk klaagde hij dat menige universiteit werd overgenomen door barbaren.

Een paar jaar eerder was de vakgroep versterkt met een dichter die zowel collega als vriend zou worden. Bin Ramke (66) is klein van stuk en stemgeluid – meer hoofd dan lichaam. Ik ontmoet hem in een Starbucks nabij de campus, een locatie waarvoor hij zich verontschuldigt. Later zal hij me meenemen naar zijn kantoor, een hok volgebouwd met boeken, waarvan een aantal nog van Williams is geweest, en naar Williams’ door groen omgeven huis aan South Madison. Dat was de plek waar Williams zijn romans schreef, al denken de huidige bewoners dat de schrijver botanist was. En Australiër.

„Het eerste wat me aan John opviel,” zegt Ramke, „was zijn postuur. Nog kleiner dan ik. Hij was sarcastisch en niet snel onder de indruk van mensen. Zijn houding was bijna anti-literair. Hij wilde eerst zien of je over iets anders kon praten. Dus hadden we het over de Denver Broncos en keken we samen wat footballwedstrijden. Ik denk dat werk voor hem in eerste instantie werk was, hoewel hij zielsveel van literatuur hield. Als hij over boeken sprak, dan altijd over die van anderen. En nooit op de fetisjistische manier van het academisch discours.

„John hield kantoor in een voormalig studentenhuis dat inmiddels is afgebroken. De kamers waren enorm en hadden allemaal een eigen toilet en keuken, door John aangewend voor opslag. Er stond zelfs een bad, afgedekt met triplex omdat de waterleidingen waren afgesloten. John was midden jaren tachtig een opmerkelijke verschijning, maar niet per se geliefd. Met de jaren was hij ontoegankelijker geworden. Onvriendelijk tegen studenten; scheutiger met kritiek dan lof.

„Hij kleedde zich als een dandy – inclusief choker – dronk te veel en rookte als een ketter, ondanks zijn longemfyseem. Hij liep rond met een zuurstoffles in de ene en een sigaret in de andere hand. Het vleesgeworden innerlijk conflict. Ik zei wel eens tegen hem: wat acetyleen erbij en je kunt als lasser aan de slag. Dat vond hij geestig. John wist dat het roken hem zou doden – hij hield zichzelf niet voor de gek. Maar stoppen kon hij niet.”

Experiment en verzet

In die tijd lag de publicatie van Augustus al meer dan een decennium achter Williams. Zijn romans hadden niet het succes gebracht dat ze verdienden – deels omdat ze in de jaren zestig en zeventig slecht aansloten bij een cultuur van experiment en verzet, deels omdat Denver ver weg lag van de literaire epicentra. Williams werkte weliswaar aan een boek gebaseerd op zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, The Sleep of Reason, maar bij zijn dood in 1994 was het nog altijd onvoltooid. Was hij zijn vuur kwijtgeraakt?

„Er was frustratie”, zegt Ramke, „maar niet primair die van het gekwetste ego – al had hij zeker geen gebrek aan eigenwaan. Het was vooral frustratie over de literatuur in zijn algemeen. Dat zijn soort literatuur – stilistisch precies realisme – niet langer op waarde werd geschat. Zeker niet door de academische wereld. Goed, hij won de National Book Award voor Augustus, maar het was veelzeggend dat hij die moest delen met John Barth. Barth werd alom gezien als de man die het interessante, experimentele werk deed, terwijl John het label goed, maar ouderwets kreeg opgeplakt. Ik herinner me zelfs een boekhandel – in Denver, nota bene – die Barth als enige winnaar van dat jaar aanprees.

„De tweestrijd tussen wat literatuur moet zijn en wat het voor academici is, speelt een belangrijke rol in Stoner. John laat het verschil zien tussen iemand voor wie literatuur een reddingsboei is, zoals voor hem, en de academicus die intellectueel spelevaart. Ik schaam me bijna het te zeggen, maar inmiddels is hij door Denver University totaal vergeten. Geen van zijn boeken staat op het curriculum, en niemand, behalve de paar mensen die hem nog gekend hebben, weten wat er op het moment met zijn werk gebeurt in Europa. Treurig maar waar.”

Niemand kende John Williams beter dan Nancy, zijn weduwe. Ze was niet de enige echtgenote van de schrijver – er gingen haar drie voor –, maar ze was wel de laatste en degene met wie hij het ruim dertig jaar volhield. Nancy woont niet meer in Denver, maar is naar het zuidelijkere Pueblo verhuisd. Met twee zoons uit een eerder huwelijk deelt ze een woning aan de rand van de stad. Het huis is gemaakt van adobe – donker en koel onder de verzengende zon. Daar ontvangt ze me, een lange, spraakzame vrouw van tachtig, die haar monologen structureert als korte verhalen.

„Hij was mijn docent, ik was zijn studente. Een klassiek verhaal. Dit was in 1960, toen hij nog getrouwd was. Hij gaf les in het schrijven van poëzie. Het beviel me dat hij niet pedant was, en zachtaardig in zijn kritiek. Hij had een krachtige, lage stem, waardoor hij als tiener ook al wat geld had kunnen verdienen als radio-omroeper.

„We zijn in 1963 een stel geworden, en hebben tien jaar samengeleefd, voordat zijn huwelijk officieel ontbonden werd. Dat was de tijd waarin hij Stoner schreef. Maar de terreur en liefdeloosheid van Stoners huwelijk zou ik niet autobiografisch durven opvatten. John zei dat Augustus zijn enige autobiografische boek was – vooral waar het over de band tussen vader en dochter ging. Hij wilde niet over zichzelf schrijven. Hij zei dat dat hem verveelde.

„John was klein, en ik ben lang. We dansten niet – dat zou er gek uit hebben gezien –, maar verder was dat geen punt. Hij nam het initiatief, op een hele geduldige manier. Ik kwam uit een ongelukkig huwelijk met een man die schizofreen was geworden, en had met mijn kinderen onderdak moeten zoeken bij mijn ouders. En John had ook kinderen. De situatie was complex. Pas na een jaar van bouwen aan een vriendschap zijn we bij elkaar in bed beland.

„Ik wilde dolgraag een kind met hem, maar ik wist dat dat onmogelijk was. O, wat was ik daar verdrietig over... Ik rouwde om het verlies van een baby die ik nooit zou hebben. Hij trok me uit mijn somberheid, door verhalen te verzinnen over ons kind. Ik zie hem nog zitten, zijn ellebogen op de strijktafel van mijn moeder. Een perfect kind, zei hij. Johns armen waren te kort – al zijn mouwen moesten worden ingekort – de mijne te lang. Maar ons kind had perfecte armen. Dit ging zo door, elke nacht, wekenlang. Tot hij me eindelijk aan het lachen maakte, en ik verder kon. Wacht...”

Nancy staat op van de eettafel en verdwijnt in de slaapkamer. Ze komt terug met haar editie van Butcher’s Crossing. De inscriptie luidt: ‘Voor Nancy, ter herinnering aan Cap d’Antibes, waar we, zoals je het zo treffend uitdrukte, ‘all the way’ zijn gegaan.” Wanneer ik mompel dat die informatie wel erg intiem is, lacht ze. „Kijk naar de datum. Maart 1960. We waren nooit op Cap d’Antibes geweest, noch waren we ‘all the way’ gegaan. Het was een verhaaltje. Een grap. Maar wel een waarmee hij al vroeg zijn intenties duidelijk maakte.”

Ze gaat weer zitten.

„Hij was een geestige man, maar gereserveerd. Over de oorlog wilde hij het niet hebben. Dat kwam pas in de loop der jaren. Dat de Tweede Wereldoorlog hem nooit heeft losgelaten, vertelt je, meer dan wat ook, wie hij was. Toen ik hem leerde kennen, had hij er – vijftien jaar na dato – nog steeds nachtmerries over. En er waren terugkerende aanvallen van malaria.

„John was gestationeerd in India, vanwaar hij met C-47 transportvliegtuigen over de Himalaya naar Birma en China vloog. Flying the hump, zoals dat heette. Hij was verantwoordelijk voor de boordradio. Vanwege zijn postuur had hij zich als vrijwilliger moeten aanmelden.

„Op zekere dag vlogen ze laag over de boomtoppen, en werden ze getroffen door mortiervuur. Toen John bijkwam, lag hij in de jungle, naast het in tweeën gebroken vliegtuig. De jongens die achterin zaten waren omgekomen, wie voorin zat, had het overleefd. John was geen bitter mens, maar er is een dichtregel van hem: veertig miljoen lijken op de vuilnishopen van de wereld... Hij had vreselijk last van survivor’s guilt.

„Ze hadden hem toen naar huis moeten sturen, maar dat gebeurde niet. Hij zat daar maar in een tent, met vier jongens en een tamme mangoest, zich stierlijk te vervelen. Dus begon hij te schrijven. Toen zijn gebroken ribben eenmaal genezen waren, ging hij als vrijwilliger de jungle in om identiteitsplaatjes van slachtoffers te vergaren. Hij heeft vreselijke dingen gezien. Dat was de inspiratie voor The Sleep of Reason. Helaas was hij fysiek niet sterk genoeg om dat boek te voltooien.”

Geld verdienen

John was voor alles schrijver, weet Nancy. Lesgeven was een manier om geld te verdienen. „Hij had zijn grootvader zien boeren op stoffig, uitgedroogd land in Texas. Hij had gezien wat dat met die man gedaan had, fysiek en geestelijk. John wilde daaraan ontkomen. Wat iemand tot schrijver maakt is niet een magisch talent, maar wilskracht en discipline. De bereidheid harder te werken dan wie ook. En een zekere mate van geluk. John had geluk met de GI-wet, die maakte dat hij na de oorlog naar de universiteit kon.

„Hij had de wereld leren kennen dankzij de Depressie en de oorlog. De brutaliteit ervan. Je kan de slachting van de bizons in Butcher’s Crossing niet los zien van de oorlog. Het gaat maar door en door en door, het eindeloze moorden. Inderdaad, veertig miljoen lijken op de vuilnishopen van de wereld. Maar wat ik in dat boek ook lees, is een andere ervaring van John.

Dat zijn grootvader hem als tienjarige dwong een varken te slachten. De gruwel daarvan. John zag zichzelf als Texaan, maar wilde nooit meer een stap in Texas zetten. Hij verafschuwde die plek.

Nancy: „John dronk. Stevig. Hij had een gemene dronk – er kwam veel verbaal gif vrij. Daar heb ik het moeilijk mee gehad. Het sloopte hem, dat drinken en het constante roken. Sterven aan de sigaret wens ik niemand toe. Wat een gruwelijk einde! Ik denk dat het roken een manier was om met stress om te gaan. De stress van het

oorlogstrauma en de stress van het schrijven. Tuinieren had ook die functie. John zei altijd dat het zo heerlijk gedachteloos was, en dat het brein ophield met razen. Je graait in de grond, en dat is het.

„Ons huis aan Madison had een appartement op de bovenverdieping, met een eigen opgang. Daar schreef hij. Extreem gedisciplineerd, deels ingegeven door het feit dat hij een hekel had aan redigeren. Hij begon ’s ochtends vroeg, rond achten, en schreef dan tot de lunch. Eén pagina per dag was goed, twee was uitzonderlijk, drie was reden voor feest. Na de lunch ging hij naar de universiteit. En wanneer hij terugkwam was hij uren bezig met het plannen van de volgende dag. Er werd nooit een pagina geschreven die niet eerst al helemaal was uitgedacht.

„Hij wist dat zijn werk goed was, maar had er vrede mee dat hij niet meer gelezen werd. Ik denk dat zijn huidige succes hem zou verwonderen. Mij verwondert het in elk geval – al was het maar vanwege de uitpuilende bankrekening. We hadden nooit geld, maar dat hoefde ook niet. Door de oorlog wist hij wat belangrijk was en wat niet. Hij had het geluk dat hij leefde. Dat is de essentie. Hij had het geluk gepubliceerd te zijn. Dat hij gewaardeerd werd door schrijvers die hij goed vond en tot zijn vrienden rekende. Dat was het allerbelangrijkste: zijn vrienden. Niet de literaire wereld in New York. Zijn vrienden.”

Sneeuwwit haar

Van alle vrienden van John Williams, was Phillip Doe (76) de beste. Doe is een rijzige gestalte met sneeuwwit haar, politiek uitgesproken en niet gestikt in zijn eerste krachtterm. Omdat hij verlaat is – druk bezig om zich tegen gaswinning middels fracking (hydraulisch kraken voor schaliegaswinning, red.) te verzetten – heb ik eerst met zijn vrouw gesproken, blogger Paula Noonan (66). Ook zij kende John goed, en toch heeft ze nooit geweten dat Nancy niet zijn tweede, maar zijn vierde vrouw was. Lachend: „Die John... Op zijn manier een echte Lethario.”

In John herkende ze iets van haar vader, zegt ze, in de tuin van hun huis in Littleton, Colorado. „Al die kerels die uit de Tweede Wereldoorlog kwamen, stopten hun gevoel weg. Hun kinderen hadden geen idee van wat ze gezien hadden en wat dat met hen gedaan had. Dit was vóór Vietnam, vóór we echt begonnen te begrijpen wat oorlog betekende. John leed, denk ik, aan een posttraumatische stress stoornis. Zoals veel schrijvers van zijn generatie. Salinger. Vonnegut. Heller.”

Inmiddels is Doe aangeschoven. Hij leerde Williams kennen toen hij bij hem studeerde. „Hij hield afstand, tot hij besloot: dit is iemand waarmee ik iets heb. Zoals in mijn geval. We kwamen beiden uit weinig hoogdravende kringen; hadden dezelfde literaire smaak. En we hadden een gedeelde interesse in drinken! Hij hield van het sociale aspect van drinken, van golf, waar hij overigens geen hout van kon, van werken in de tuin. Man, wat heb ik in die tuin staan spitten. Ik was de dommekracht, hij stak er denkwerk in. Hij hield ervan te experimenteren met dingen die je normaal niet in een moestuin aantreft. Asperges. Koolrabi.

„Hij had niet veel vrienden, maar een paar van ons gingen na de colleges naar zijn huis. En dan was het drinken, ouwehoeren en over boeken praten. Maar nooit over zijn eigen werk. Hij was trots op zijn werk, zeker. Hij verdedigde zichzelf. Maar verder... Nêh.

„John had een zwak voor de gewone man. Diens lijden en ondergang. Tegelijk was hij een dandy, met zijn choker en zijn Mercedes. Vreemd gezicht, hoor, zo’n klein mannetje in die wagen. Ik denk dat dat een reactie was op zijn jeugd, en de bittere armoede die hij gekend heeft tijdens de Depressie. Daarom begeerde hij de zegeningen van de middenklasse.”

Ik vraag hem hoe het kan dat Williams na Augustus, tweeëntwintig jaar lang, geen roman meer wist te voltooien. Was dat inderdaad puur fysiek?

„Nêh. Ik denk dat hij op zeker moment tevreden was met wat hij bereikt had. Hij was niet gedreven, in de zin dat hij een Grote Naam moest worden. Hij wilde goede boeken schrijven, verder niet. Zelf ben ik ontzettend blij met wat er nu in Europa met zijn werk gebeurt. Ook omdat het een dikke middelvinger is naar die figuren aan Denver University die meenden dat John niet van hun niveau was. Een kleinzielig stelletje... vul maar in. Wie kan het een reet schelen of zij geleefd hebben of niet? Maar er zijn genoeg mensen die het wél een reet kan schelen dat John geleefd heeft. En er zijn er steeds meer.

„Niet dat John niet lastig kon zijn. Hij kwam soms niet opdagen voor colleges, omdat hij een kater had, of omdat hij het gewoon niet kon opbrengen. Hij had natuurlijk moeten stoppen met roken. Maar dan had hij ook moeten stoppen met drinken, want die twee waren gezelschap. Van elkaar en van hem. Een kwaaie dronk? Ik vond hem een prettige drinker. Naar mij was hij in elk geval altijd genereus. Zo zal ik me hem blijven herinneren.”

Trots

Doe’s blik wordt glazig. „Als ik ergens spijt van heb: toen het einde nabij kwam, heb ik de ene na de andere reden verzonnen om hem niet op te hoeven zoeken. Man, wat ben ik slecht in afscheid en dood. Ik belde wel met hem, en dan klonk hij opgewekt genoeg. Maar op zeker moment kwam hij zijn bed niet meer uit. Geen kracht meer. Ik heb nooit het gevoel gehad dat hij niet klaar was om de dood onder ogen te zien. Dat was hij. Het feit dat hij boeken had geschreven waar hij trots op was, gaf hem de rust.”

De laatste jaren van zijn leven bracht Williams buiten Denver door. Na zijn pensioen vertrok hij naar Key West, waar hij omringd werd door bevriende schrijvers. Ook hoopte hij op zeeniveau beter te kunnen ademen. In Fayetteville, Arkansas, probeerde hij nog wat gastcolleges te verzorgen, maar zijn fysieke conditie maakte dat ondoenlijk. Hij wist dat het eind naderde en besloot zijn archief te schenken aan de lokale universiteit, die een archivaris stuurde om hem te helpen met de selectie. Het was een veelzeggend gebaar. Jaren eerder had hij Denver University zijn archief aangeboden, om toen het lid op de neus te krijgen. Geen behoefte aan, meneer Williams. Nou, dan niet.

Hij was er klaar voor, maar het duurde en duurde. In de woorden van Paula Noonan: Williams dreef door de dagen. Uiteindelijk stierf hij op 3 maart 1994 in Fayetteville, Arkansas, officieel aan de gevolgen van respiratoire insufficiëntie, een longdefect. Voor de literaire wereld verdween hij vrij geruisloos, op een kort stukje in The New York Times na. Van de ene schaduw de volgende in.

    • Auke Hulst