Geen littekens, geef ons bloed

Kan een historische roman achterhaald zijn? En ligt dat dan aan het onderwerp of aan de uitwerking? Het zijn vragen die Augustus, de vierde roman van John Williams, oproept.

Er gaat er wel eens één de mist in. Zo schreef de Romeinse redenaar Cicero in 44 v. Chr. over Octavianus: ‘Het is een jongen, een tamelijk domme jongen nog wel. Hij begrijpt niets van politiek, zal dat op termijn vast ook niet doen.’ Cicero kon toen niet weten dat hij het over keizer Augustus (63 v. Chr.-14 n. Chr.) had, maar van inzicht getuigt het niet.

Dit citaat komt uit een van de brieven die John Williams ‘aanhaalt’ in zijn net vertaalde gefictionaliseerde biografie van Augustus, eerste keizer van Rome. Het verhaal – samengesteld op basis van brieven, dagboekfragmenten, dienstbevelen – begint met de moord op Julius Caesar en eindigt met Augustus’ dood.

Augustus (1972) was Williams vierde roman, de enige waarvoor hij bij leven erkenning kreeg: in 1973 werd het boek bekroond met de National Book Award.

Een van de geestigste personages in de roman is de vilein formulerende Cicero. Zo geeft hij een fijne omschrijving van de dichter Maecenas als iemand die ‘op uiterst afstotelijke wijze met zijn wimpers knippert’ en wordt Cleopatra weggezet als ‘die Egyptische hoer van Caesar’. Iemand die zulke taal uitslaat moet wel net als Cicero eindigen: zijn afgehakte hoofd en handen werden tentoongesteld op het Forum in Rome.

De moord op Cicero had plaats in opdracht van Antonius, met medeweten van Octavianus, ook al had ‘de bleke bastaard met zijn bleke kop’ – zoals Octavianus ook wordt genoemd – zijn macht deels aan hem te danken. Het voorval toont het onderwerp van de roman in een notendop: wat is de prijs van macht?

Williams zelf omschreef Augustus als een boek over ‘de ontwikkeling en de werking van de geest van een schijnbaar eerzaam man die gedwongen wordt slechte daden te verrichten om iets groters te bereiken’.

Kan een historische roman achterhaald zijn? Jazeker, ook wanneer de roman een ‘product van de verbeelding’ is, zoals Williams in zijn nawoord schrijft. Want anders dan zijn Stoner en Butcher’s Crossing heeft Augustus de tand des tijds minder goed doorstaan.

Dat ligt niet aan het onderwerp en ook niet aan de hoofdpersoon. Het leven van Augustus is boeiend genoeg – evenals de thema’s macht, intriges en offers –, maar de roman lijdt onder Williams’ angst te weinig informatie over te brengen. Daarom krijgen sommige ‘personages’ iets belerends. Zo lezen we Nicolaus van Damascus, die in in 36 v. Chr schrijft: ‘Vandaag is Marcus Antonius, triumvir van Rome, imperator van Egypte geworden – in wezen koning, al noemt hij zich niet zo. Hij is in het huwelijk getreden met die Cleopatra, die de incarnatie van Isis is, koningin van Egypte, en keizerin van alle landen van de Nijl.’

Het is een bekende valkuil: het belang van de informatiedichtheid wordt bij het schrijven van een historische roman te hoog aangeslagen, en personages dragen overbodige informatie over. Ook in een historische roman moet een zin staan die wél aanspreekt en niet kunstmatig aandoet. Wanneer er staat: Octavianus ‘liep in de veldslagen eervolle verwondingen op’, dan wil je als lezer meer bloed, ontstekingen en pus. ‘Eervolle littekens’ zegt een lezer nu niets meer, smerigheid des te meer. De historische werkelijkheid is een ding, maar een romanwerkelijkheid is daarmee nog niet gebouwd.

Het zijn ongetwijfeld voorkeuren die ook aan trends onderhevig zijn, net als het gegeven dat historische romans tegenwoordig juist meer oog hebben voor de tweede man, of sterker nog: voor de doorsnee figuur. Zou je nu een roman over Augustus schrijven dan zou dat vast worden gedaan vanuit het perspectief van zijn dochter, die verbannen werd omdat ze de wetten van huwelijkse trouw had geschonden en betrokken was bij een moordcomplot op haar vader. In Williams’ boek komt ze slechts in een paar dagboekfragmenten aan het woord. De echte pijn van de dochter, maar ook van Augustus zelf nadat hij zijn enige kind moest wegsturen om Rome te behouden, komt niet echt uit de verf. Augustus blijft een statische figuur.

In het derde en laatste deel blikt Augustus terug op zijn leven in een brief die hij half ijlend schrijft. Williams probeert het koortsige effect in de brief te verwerken. Maar het resultaat is een wat langdradig epistel waarbij Augustus concludeert dat zijn leven niet veel heeft voorgesteld. Dat neemt niet weg dat Williams er wel degelijk in is geslaagd een verhaal over macht over te brengen.

Ironisch genoeg was dat ook een belangrijk onderwerp in het tijdloze Stoner, al werd de machtsstrijd daar uitgevochten op een middelgrote universiteit, met als inzet een tentamenuitslag en een baantje. Niet erg heroïsch – maar die machtsstrijd blijft de lezer langer bij dan de aangekondigde, grootse ondergang van een beschaving.