Een olifant kun je in de salon over het hoofd zien

De naam van Geert Wilders ontbrak in de Telegraaf-advertentie tegen antisemitisme. En terecht, meent Ilja Leonard Pfeijffer.

Geert Wilders is beledigd. Want gisteren stond er een paginagrote advertentie in De Telegraaf tegen antisemitisme, ondertekend door tal van prominente Nederlanders zoals Albert Verlinde, Peter R. de Vries, Jan des Bouvrie, Jan Peter Balkenende en ‘topbloemist’ Menno Kroon. De advertentie was een initiatief van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI). Die hadden Wilders gevraagd om mede te ondertekenen en Wilders had ‘vanzelfsprekend, graag en met overtuiging’ toegezegd. Toch ontbrak zijn naam. En dat kwam weer omdat hij zich kritisch had uitgelaten over de gemeenschappelijke verklaring van het kabinet en Joodse organisaties na overleg in het Catshuis. Daarom had het CIDI besloten hem te schrappen.

Die kritiek had hij geuit in een open brief aan de minister-president. Ik hem er even bij gepakt. Stilistisch is het proza van Wilders altijd een feest. Al in de eerste zin kwalificeert hij de gemeenschappelijke verklaring als een ‘flutverklaring’. Dat is zo’n typisch Wilderswoord dat de ondertekening van de brief eigenlijk geheel overbodig maakt. Maar dan wordt het echt experimenteel en vernieuwend proza. ‘Er is een olifant in de kamer,’ schrijft Wilders, ‘maar u weigert hem te zien.’ En dan, na een witregel voor extra dramatisch effect: ‘Zulk slap gedrag is een premier onwaardig.’

Hoe onnavolgbaar geformuleerd! Beeldspraak heeft normaal gesproken de functie om iets onbekends te verduidelijken door het te vergelijken met iets wat we allemaal kennen uit het dagelijks leven. Wilders doet precies het omgekeerde. Want wie heeft ooit een olifant in een kamer gezien? En hoe gebruikelijk is de reactie om te weigeren dat beest te willen zien? Ik zou dat pure waanzin vinden, maar volgens Wilders is het slap gedrag. En dat u en ik af en toe een olifant in de salon over het hoofd wensen te zien, is nog tot daaraan toe, maar een premier is dat onwaardig.

Het punt dat Wilders in zijn brief probeert te maken, is dat we niet moeten praten over een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid dat internationale conflicten niet leiden tot spanningen binnen de Nederlandse samenleving, zoals in die verklaring wordt beweerd. Voor hem is het simpel. Dat er in Nederland jodenhaat is, komt doordat er moslims zijn. ‘Doe uw plicht,’ schrijft hij aan de premier, ‘en dring het antisemitisme in Nederland terug door de islam terug te dringen.’

Wilders is niet tegen haat als zodanig. Hij ziet dat zoals fanatieke voetbalsupporters dat zien: het gaat erom om de juiste club te haten. Hij is vóór de Joden omdat hij tegen de moslims is. Zijn strijd tegen antisemitisme is gepolitiseerd en polariserend en wil aanzetten tot haat jegens de islam.

Dat het CIDI zich niet met deze zienswijze wil identificeren, is zeer verstandig.