Volle weides, lege clubs

Steeds meer bands en dj’s kiezen voor festivals, want daar kan het geld worden verdiend. Daardoor hebben de clubs het moeilijk.

Larry Gus is topscoorder van het seizoen. De Griekse Gus – echte naam Panagiotis Melidis – was tot afgelopen januari volslagen onbekend. Maar sinds zijn concert op het Eurosonic-festival, in Groningen, waar de kleine Gus het publiek in de greep kreeg met zijn meezingdance en klopboor-achtige hoofdbewegingen, trad hij aan op nagenoeg alle popfestivals van naam: Motel Mozaïque, Best Kept Secret, Valkhof Festival, en straks is hij een van de aantrekkelijke namen op Lowlands, de Zomerparkfeesten en Into The Great Wide Open. Larry Gus heeft nog nooit in een Nederlandse club gespeeld. Larry Gus is een festivalhit.

Het festivalseizoen 2014 is nu in volle gang; elk weekend kan het publiek kiezen uit allerlei dance-, hardrock-, lounge- of hiphopfestijnen, in totaal ongeveer 700, variërend van één- tot driedaags; met een capaciteit van 1.000 mensen tot 70.000 (Pinkpop). Volgens de brancheorganisatie beslaan popfestivals zo’n 70 procent van het totale festivalaanbod, met een bezoekersaantal van 13 miljoen.

Vooral de markt voor dancefestivals blijkt nog altijd niet verzadigd. De populariteit van danceacts en dj’s leidde de afgelopen jaren tot een onstuimige stijging van het aantal, wat in de zomerse hoogtijdagen een landelijk aanbod betekent van tien tot vijftien festivals per weekend.

Niet alleen het aantal groeit, ook het seizoen dijt uit. Vroeger liep de festivalperiode van mei tot augustus, tegenwoordig begint deze in april en loopt door tot eind september. Maar de schaalvergroting heeft gevolgen voor het in Nederland zo goed georganiseerde clubcircuit. Want de bezoeker moet kiezen waaraan hij zijn geld wil uitgeven, en artiesten moeten kiezen waar ze willen optreden: samen met andere bands op een openluchtfestival, of in een zaal, met een eigen concert.

Toenemend probleem

Steeds meer dj’s en bands kiezen tegenwoordig voor een optreden op een festival, waardoor het voor de clubs moeilijker wordt om acts te boeken. Marco Petersen, programmeur van de middelgrote popzaal Mezz (capaciteit 600) in Breda, noemt het een „toenemend probleem”. „Voor ons blijft er minder over. Daar zijn niet alleen festivals de oorzaak van. Je kunt ook zeggen dat de popsector professionaliseert; managers en artiesten worden tactischer. De ideale route voor artiesten is: in november/december en maart/april je laten zien in de clubs, in de hoop ’s zomers op een reeks festivals te worden geboekt. Want daar kan het geld worden verdiend.”

Festivals bieden hogere gages dan clubs. In ruil daarvoor bedingt de festivalorganisatie vaak een ‘exclusiviteitsclausule’; de artiest of dj mag enkele weken voor en na het festival niet in Nederland optreden. Dat betekent vanzelf minder keuze voor het clubcircuit.

Maurice Spijker, boeker van danceacts bij Mojo Concerts, karakteriseert de situatie in het clubcircuit nog niet als „leegloop” maar wel als „teruggang”. „Die teruggang in aanbod is een direct gevolg van de muziekfestivals. Vooral in de dance wordt die sector nog steeds groter. En niet alleen in Nederland. De festivalmarkt is de afgelopen paar jaar wereldwijd geëxplodeerd, vooral in Amerika. Op het gebied van dance, maar ook van alternatieve muziek, denk aan een muziekfestijn als Coachella, dat al in april plaatsheeft. Rond die tijd zitten alle alternatieve bands in de woestijn bij Los Angeles.”

De vraag is hoe programmeurs ’s zomers hun clubs vullen. Petersen van Mezz: „In de zomer doen we tegenwoordig minder, en dat halen we ’s winters in. Dat is een pluspunt van de grote hoeveelheid festivals: beginnende bands krijgen er kans zich te onderscheiden. Meestal komt daar in het najaar een clubtour uit voort.

„In Mezz organiseren we in de zomer vooral laagdrempelige evenementen. Op zondagmiddag hebben we bijvoorbeeld akoestische terrasconcerten, daar komen toch zo’n 150 man op af. Er is een gratis toegankelijke danceavond op donderdag. Daarvoor vraag ik beginnende dj’s uit de omgeving. Die avonden zijn goed bezocht, maar kosten veel tijd: ik moet jong talent opspeuren en opleiden.”

Spijker ziet vaker dit soort oplossingen. „De muziekmarkt groeit niet alleen aan de bovenkant, het aanbod groeit ook aan de onderkant, bij de beginnende artiesten. Nu het in de zomer moeilijk is om grote acts te krijgen, wordt meer nieuw talent geboekt.”

Oude sterren

Het werkt ook andersom. Paradiso in Amsterdam bijvoorbeeld biedt in de zomer juist een aantal oudere sterren, zegt Ben Kamsma, programmeur van Paradiso. „Festivals zijn veelal voor en door jongeren. Vooral in Nederland spelen op de festivals niet veel oudere acts. Die kunnen ’s zomers terecht bij ons. Zo hadden we onlangs Blondie, dat in Denemarken wel op een festival speelde, en komen later nog Afghan Whigs en Los Lobos.”

Kamsma is laconiek over de recente aanwas van nieuwe festivals als Down The Rabbit Hole en Best Kept Secret. „Daar spelen veel bands die in Paradiso hadden kunnen staan. Misschien moeten we daarop reageren. Maar eerst maar eens kijken hoe het loopt met die festivals.”

Volgens Berend Schans, directeur van de VNPF (Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals) kunnen clubprogrammeurs juist nieuwe ideeën opdoen over aanpak en methode. „Festivals doen het over het algemeen heel goed. Met clubs wil ik praten over de vraag: wat kunnen we leren van de festivals? Denk aan de manier waarop horeca wordt ingezet, waarbij risico bij de ondernemer ligt en niet bij de festivalleiding. Dat is een andere manier van werken.”

Maurice Spijker ziet al een kleine kentering in de festivaltrend. „Er zijn nu ook artiesten die juist een ‘eigen’ show willen hebben, in een club. Dat geldt vooral voor danceartiesten die naar een ‘popstatus’ streven. Optreden in het clubcircuit hoort in hun ogen bij de popmuzikant. Zij kiezen vaker voor de zogenaamde ‘hard ticket’, een eigen optreden met je naam op de poster. Dus dat is goed nieuws voor de clubs, wellicht.”