Muziek bouwen met legostenen

Analoge synthesizers zijn de laatste jaren weer populair onder jonge muzikanten. Op Lowlands staat het apparaat onder meer bij James Holden en Nick Mulvey op het podium.

Hester Carvalho

James Holden met zijn modulaire synthesizer in het Muziekgebouw aan ’t IJ

Zoals in gitaarbands wordt gepraat over effecten en pedalen, zo praten elektronicamuzikanten over de verschillende soorten synthesizers. De laatste jaren is de analoge synthesizer weer populair. Dit pre-digitale apparaat is duur en onhandig (gevoelig voor temperatuurwisselingen) maar wordt geroemd om zijn warme toon en uitgesproken klankkleur. Muzikanten onderscheiden zich graag met het analoge instrument, als tegenhanger van de digitale synthesizer die tegenwoordig in iedere laptop of telefoon zit ingebouwd.

Duurder en ingewikkelder dan de gewone analoge synthesizer is de modulaire analoge synthesizer. Deze variant is opgebouwd uit een reeks elektronische ‘geluidsmodules’, naar eigen inzicht te verbinden met snoeren en stekkertjes. Het bijzondere van de modulaire synthesizer is dat je op die manier de klanken zelf creëert. Het lastige is dat hij niets onthoudt. Iedere keer dat je speelt worden geluiden opnieuw samengesteld door de modules te koppelen. Eigenwijze muzikanten als Jonny Greenwood van Radiohead en Trent Reznor van Nine Inch Nails zweren bij de modulaire synthesizer.

Op Lowlands zal het analoge geluid bij meerdere acts te horen zijn. Bijvoorbeeld singer-songwriter Nick Mulvey (analoog) en bij de live spelende dancemuzikant James Holden (modulair).

Het is 17.00, Paasweekend in het Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. In de grote zaal wordt gesoundcheckt voor het optreden van de Britse elektronicamuzikant James Holden, drummer Tom Page en de Franse saxofonist Etienne Jaumet. De Britse Holden, wonderboy van de dance, ook bekend als dj en remixer (Britney Spears, Madonna), speelt vanavond voor het eerst in Nederland met twee muzikanten en het apparaat dat zijn handelsmerk is geworden: de modulaire synthesizer.

17.16. In de grote zaal zet Holden zijn synthesizer op een tafel. Hij scheurt stukjes van een rol gaffa-tape en plakt het apparaat, met het formaat van een ouderwetse bandrecorder, vast op tafel.

18.07. Holden pakt een schroevendraaier en draait hier en daar een onderdeel van zijn synthesizer vast. Zoals hij later toelicht: „De vliegreis was nogal turbulent, een paar schroeven waren los getrild.”

18.20. Page, Holden en Jaumet testen het geluid. Met suizende klanken speelt Holden in op de hoekige ritmes van Page. Het spel stopt abrupt.

18.40. Dit is waarom een soundcheck nodig is; er is geen sound.

18.46. Nog steeds niet. Holden strekt zich uit onder de tafel, zijn handen achter z’n hoofd. Gevraagd naar de vertraging, wijst hij de zaal in. „Iets met de digitale instelling van de geluidstafel. Ik ben blij dat dat mijn werk niet is.”

19.23. De digitale problemen zijn verholpen. Het trio speelt zich los.

22.30. In de grote zaal beginnen Holden en zijn twee muzikanten met hun optreden. Instrumentale tracks worden doorsneden met kletterende improvisaties, het publiek juicht.

Holden werd bekend door zijn nachtenlange sessies als dj. Daarna begon hij zelf muziek te maken, en raakte hij al snel in de ban van de analoge modulaire synthesizer.

In 2006 verscheen zijn afwisselend knarsende en glooiende cd The Idiots Are Winning – door de Britse krant The Guardian omschreven als „een verbijsterend elektronisch debuut” – vorig jaar gevolgd door een tweede cd, The Inheritors. De door zijn modulaire synthesizer gedomineerde tracks klinken metalig en aards. Akkoorden trillen en vervagen, afgewisseld met aanzwellende geluidszwermen.

Holden heeft thuis een eigen studio, vertelt hij. „Voor mijn optredens heb ik een reismodel, maar thuis in mijn studio staat een grote modulaire synthesizer. Mijn tracks komen voort uit het oefenen: ik ‘bouw’ een nieuwe opstelling, probeer die uit, en het resultaat neem ik op. Dan bedenk ik weer een nieuwe opstelling, en ontstaat weer een nieuw nummer.” Met ‘bouwen’ bedoelt Holden ‘het verbinden van verschillende modules door snoeren’. De gekoppelde modules samen vormen een ‘patch’. „Maar alles is tijdelijk, als ik de draden lostrek, is de patch verdwenen. Dat tijdelijke eraan vind ik juist mooi.”

Als kind studeerde Holden viool, een „weerbarstig instrument”, zegt hij. „De viool kan onverwacht uitbarsten. Het is een strijd om hem onder controle te krijgen. Datzelfde gevoel heb ik als ik mijn synthesizer aan het bedienen ben; het gevecht om die verschillende instellingen helemaal onder controle te krijgen.” Om van klank te wisselen moet Holden tijdens het optreden razendsnel stekkers ompluggen.

„Ik heb vaak dezelfde droom, waarin ik een heuvel afren. Het gaat zo snel dat ik niet kan kijken, en erop moet vertrouwen dat mijn voeten op de juiste plaats terechtkomen. Dat gevoel heb ik ook op het podium. Er gebeurt te veel om nog na te denken, je moet maar doorgaan en hopen dat het goed komt. Je hersenen kunnen het niet meer volgen, het instinct neemt de controle over.”

Wiskunde

Holden groeide op in Zuid-Engeland en studeerde wiskunde. De eerste ervaring met modules deed hij al op als kind. „Bouwen met lego, daar begon het mee”, hij lacht, „maar ik leer nog steeds. Tussen mijn eerste en tweede cd heb ik me verdiept in programmeren en in neuroscience, oftewel hoe muziek je hersenen beïnvloedt. Nu houd ik me bezig met ‘digital synthesis’, hoe je violen kunt programmeren enzo.”

Tot een jaar geleden zag hij zichzelf niet als uitvoerend muzikant, op een podium. „Maar toen kreeg ik de vraag van Thom Yorke van Radiohead, of ik in het voorprogramma van zijn project Atoms For Peace wilde spelen. Dat kon ik niet afslaan. Ik bedacht dat ik met twee muzikanten wilde optreden. Om het moeilijker en dus spannender te maken.”

Is het noodzakelijk om een graad in wiskunde te hebben, om dit soort muziek te kunnen maken? „Een beetje, wiskunde helpt om muziek te doorgronden. De manier waarop frequenties op elkaar aansluiten, bijvoorbeeld. Sommige muzikale kwesties zijn puur wiskundig.” Hij neemt nog een slok cola. „Maar niet al mijn gedachten zijn zo hoogstaand. In veel opzichten ben ik juist nogal onhandig. Belastingformulieren invullen, verjaardagen onthouden. De dagelijkse dingen gaan mij moeilijk af. Dat is nogal frustrerend. Vooral voor mijn vrienden.”

De muziek van de Britse Nick Mulvey is als een satijnen gordijn waar de wind vat op krijgt. Huivers van emotie trekken door zijn koesterende liedjes. Onder die rimpelingen schuilen vingervlugge akkoorden op akoestische gitaar, zwoele drums en zwierige akkoorden van een analoge synthesizer. Bovenop troont de warmbloedige stem van Mulvey, die als een duif lijkt te koeren.

Mulvey (28) studeerde musicologie. Hij verdiepte zich in muzikale tradities uit Centraal-Afrika, in Braziliaanse religie, en soefizang. Al zijn vaardigheden heeft hij samengebald in de dit jaar verschenen debuut-cd First Mind. Het is zijn eerste solowerk, daarvoor speelde Mulvey de ‘hang’ (een bolle steeldrum) in het Portico Quartet. Na vier jaar stapte hij uit het jazzgezelschap om zelf te gaan zingen en gitaar spelen, en dat leidde tot fijnzinnige songs met een opzwepend effect. Nummers als Cucurucu en Nitrous hebben alles in zich om tot festivalmeezinger uit te groeien.

Op een ochtend in mei zit Nick Mulvey in Amsterdam aan tafel, om te vertellen over de achtergronden van zijn muziek. De manier waarop zijn muziek ontstaat, lijkt op spelen met blokken, zegt hij. De legostenen bestaan uit woordflarden, de invloed van de Braziliaanse religie, ‘Santo Daime’, de lessen van een Congolese gitarist, en de inhoud van een fles wijn.

Congo

„Van mijn achttiende tot mijn tweeëntwintigste luisterde ik alleen naar Afrikaanse gitaristen. Ik woonde in Londen, ging op bezoek bij de Congolese gemeenschap, en nam gitaarles bij Kewele uit Kinshasa. Hij leerde me zijn aanslag en timing.

„Mijn gitaarspel is heel druk. Met mijn linkerhand speel ik vaak twee verschillende dingen tegelijk, in het nummer Ailsa Craig bijvoorbeeld doen twee vingers ‘tiddelitiddelitiddeli’, terwijl de duim ‘domdomdom’ speelt. Ik zing in lange vloeiende lijnen, zodat de stem niet in verdrukking komt door de gitaar. Over zang en gitaar zou ik een dag kunnen praten. Want het is een wereld die ik snap; een veilig, beheersbaar universum. Dat heeft te maken met controle. Bij musiceren, vooral in de studio, heb je het leven eindelijk helemaal in de hand.”

Zinsbegoocheling

„Het lijkt alsof mijn gitaarspel ingewikkeld is. Maar voor een deel is het suggestie. Ik suggereer meer dan ik doe. Jouw hersenen, als luisteraar, zijn bereid om het plaatje af te maken. Ik herhaal bijvoorbeeld steeds een bepaald thema. Daar stop ik dan mee, maar jij ‘hoort’ het nog steeds. Of ik speel het eerst ingewikkeld en later simpel, maar jij blijft de ingewikkelde versie horen. Een van mijn favoriete stukken, Music for 18 musicians van Steve Reich, werkt op dezelfde manier.

„Zo’n truc haal ik ook uit met de synthesizer. Als je denkt dat je strijkers hoort, hoor je een synthesizer. Mijn keyboard-speler Chris Kensley gebruikt een ouderwetse analoge synthesizer, een Prophet, met zijn klaaglijke klank. Ik verkoos de synthesizer bewust boven strijkers, omdat ik de voor de hand liggende associatie met het pastorale geluid van bijvoorbeeld Nick Drake wilde vermijden.”

Santo Daime

„Tijdens een reis door Brazilië ontdekte ik een inheems volksgeloof, Santo Daime, dat is gebaseerd op het gebruik van een hallucinerende drank, ayahuasca. Ik was geraakt door hun manier van zingen en dansen tijdens de diensten. Alles ligt precies vast: hoe je moet staan en bewegen, en hoe je zingt. Mannen staan tegenover vrouwen, op volgorde van leeftijd. Een centraal begrip bij Santo Daime is juramidam, ofwel ‘gemeenschap’. Ik heb een van mijn nummers zo genoemd, en daarin zing ik ‘Too much time drinking whiskey and wine, the last cup is always like the first’. Toen ik in contact kwam met dit geloof, had ik genoeg van drinken. De tekst is niet moralistisch bedoeld, inmiddels drink ik ook soms weer.”

Soefi

„Ik heb altijd veel naar de bezwerende soefizang geluisterd. Er is een sterke link tussen alles wat ik in mijn leven geabsorbeerd heb, en mijn eigen stijl. Als zanger heb ik zelf nog veel te leren. Ik ben er pas laat mee begonnen. Dat was de reden dat ik uit Portico Quartet stapte; ik was 26 en ik was als zanger niet beter dan toen ik 18 was. Mijn stem lijkt misschien uitdrukkingsvol, maar volgens mij is ook dat begoocheling. Het is mijn gitaar die de emotie suggereert.”

    • Hester Carvalho