Karel de Grote geëerd met kunst en kopie

Gedeeltelijk verguld en met edelstenen bezet borstbeeld van Karel de Grote, gemaakt rond 1350, met daarin het schedeldak van de keizer. Te zien in de Akense Domschatkamer. Foto Domkapitel Aachen / Andreas Herrmann

In het Oostenrijkse benedictijnenklooster Kremsmünster is een meer dan 1.200 jaar oude miskelk nog steeds in gebruik. Eens per jaar wordt de verguld koperen beker, met voorstellingen van onder meer de zegenende Christus en decoratief vlechtwerk, uit de brandkast gehaald en ingezet bij de eucharistieviering. Voor het eerst sinds zijn vervaardiging omstreeks 775 heeft de kelk het klooster verlaten om te schitteren in een van de drie tentoonstellingen die in Aken zijn gewijd aan keizer Karel de Grote, die daar in 814 overleed. De manifestatie slingert de bezoeker heen en weer tussen fascinatie voor dit soort voorwerpen uit een ver verleden, en ergernis over een vreemd soort verlakkerij die in de museale wereld steeds normaler lijkt te worden.

De verbijsterende honkvastheid van de kelk uit Kremsmünster staat in schril contrast met sommige andere aan Karel gerelateerde voorwerpen die in de loop der tijd juist op drift zijn geraakt. De Akense Domschatkamer, die hoort bij de magnifieke kerk die de keizer in zijn residentie liet bouwen, besteedt aan dat fenomeen een bescheiden presentatie. Onderdelen van de Domschat die verdwenen door diefstal, confiscatie of verkoop zijn daar nu tijdelijk terug. Met het soms ongelofelijke verhaal erbij, zoals in het geval van een ivoren reliekenkistje uit de elfde eeuw, dat keizer Napoleon in 1804 opeiste. Hij liet het als ‘souvenir de Charlemagne’ door de toenmalige bisschop schenken aan zijn vrouw Josephine. Ze kreeg er de nu verdwenen inhoud van het kistje bij: zeer hoog vereerde relikwieën van de windselen van het kindje Jezus en het gewaad van zijn moeder.

Het Raadhuis van Aken toont de cultuurhistorische tentoonstelling Orte der Macht, over Karel de Grote als voortdurend rondreizend vorst. Aan de hand van kunstwerken en archeologische vondsten laat de volle expositie iets zien van de manier waarop de Frankische keizer zijn macht vestigde en consolideerde. Geen aspect lijkt daarbij over het hoofd gezien: van onooglijke potten, pannen en gereedschappen zoals die onderweg werden gebruikt, tot fraaie bouw- en mozaïekfragmenten afkomstig van de verschillende paleizen die Karel liet bouwen. In zijn representatie betoont Karel zich een welbewuste opvolger van de keizers van de Oudheid, met talloze verwijzingen naar de Romeinse en Byzantijnse kunst. Teleurstellend genoeg laat deze informatieve tentoonstelling de originele voorwerpen zonder veel plichtplegingen afwisselen met nogal wat moderne replica’s en reconstructies.

Ook wie ouderwets denkt te kunnen genieten van de verfijnde karolingische kunst, komt op punten bedrogen uit. Het kortelings geopende Centre Charlemagne toont weliswaar een indrukwekkende presentatie van zo’n dertig topstukken van boekproductie en edelsmeedwerk uit de Akense hofschool in de periode omstreeks 800. Naast de kelk uit Kremsmünster is bijvoorbeeld de boekband te zien van het beroemde ‘Evangeliarium van Lorsch’. Voor- en achterplat bestaan elk uit vijf ivoren reliëfs met figuren van heiligen en engelen, gekleed in klassiek aandoende, rijk geplooide gewaden. De figuur van Christus lijkt een jonge, baardloze filosoof die poseert tegen de achtergrond van een classicistische bogenstelling. De tentoonstelling geeft daarnaast een korte maar schitterende staalkaart van religieuze boeken. Maar pas bij nadere beschouwing blijkt dat van het evangelieboek dat ooit zat geklemd tussen de geëxposeerde ivoren band uit Lorsch, en ook van het befaamde ‘Weense kroningsevangeliarium’, in Aken facsimile’s worden getoond.

    • Bram de Klerck