In Nederland draagt iedereen zijn eigen moreel kompas

Moslims met hakenkruizen: de oorzaak ligt dieper dan antisemitisme. Het is een botsing van nationale trauma’s, betoogt Maurits Berger

Foto Thomas Neumann, ANP en Reuters

In de tijd van Pim Fortuyn maakte Abu Jahjah furore als leider van de AEL, een Arabisch-moslimse organisatie in België en Nederland die succes had bij de jonge Marokkanen en Turken in Nederland omdat Jahjah de eerste was die hun onvrede kon verwoorden. Tijdens een debat in 2003 verweet ik hem dat hij en zijn achterban hun onmacht en boosheid over hun behandeling hier vereenzelvigden met het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Ze konden boos zijn over wat Israël de Palestijnen aandeed, maar door zich te identificeren met dat conflict deden zij hun zaak in Nederland geen goed. En al helemaal niet als er tijdens demonstraties vergelijkingen met nazi’s en de Holocaust werden gemaakt.

Zien we nu een herhaling van zetten, alleen wat grimmiger vanwege die ISIS-jongens?

Wat speelt, is niet alleen een botsing van zienswijzen over een conflict ergens in de wereld. Het is de botsing van nationale trauma’s. En dat is een direct gevolg van de nieuwe samenleving die wij sinds twintig, dertig jaar hebben. In deze samenleving heeft een groot aantal Nederlanders ouders of grootouders uit niet-westerse landen. Die hebben bijna allemaal een koloniaal verleden en voor hen is de stichting van Israël bij uitstek het voorbeeld van westers imperialisme. Het staat voor onmacht, onderdrukking, westerse willekeur.

Dit is bepalend voor het moreel kompas dat deze mensen met zich meedragen en waar zij hun kinderen mee opvoeden. Een hoog opgeleide Nederlander van Marokkaanse afkomst vertelde mij onlangs: „De Israëlische behandeling van Palestijnen was voor ons thuis de onrechtvaardigheid bij uitstek.” Hoe anders is dat voor de autochtone Nederlander. Voor hen maakt het wel en wee van Israël deel uit van het nationaal verleden van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Israël vertegenwoordigt geen kwaad of onrecht, maar staat voor de rechtvaardige toekenning van rust en vrede voor Joden na eeuwen van vervolging. Dat is onderdeel van het Nederlands moreel kompas. Dit kompas is het gevolg van een geschiedenis waar die andere Nederlanders zich echter niet in herkennen. Jodenvervolging, Holocaust, de bezetting – het zijn gebeurtenissen die zich afspeelden in Europa. Zij maken daarom geen deel uit van de verhalen en levenslessen van mensen van niet-Europese origine.

Religie als versterkende factor

Door alle commotie rondom ‘islam’ in Europa werd het alleen maar gecompliceerder. Meer dan vijftien jaar broeit onder de jonge allochtonen een boosheid over de wijze waarop zij en de moslimwereld worden behandeld. Deze twee worden vereenzelvigd, zoals Abu Jahjah ook al deed. Het onrecht dat zij ervaren en de ontkenning van hun bestaansrecht in Nederland zien zij weerspiegeld in het uitblijven van westers optreden in Syrië en Gaza. Daar komt religie als versterkende factor bij. Veel jonge allochtonen hebben zich namelijk de afgelopen tien jaar verschanst in een ultraorthodox islamisme. Dat is de bril waardoor zij de wereld bezien. En dan zien zij geen Israëliërs, Nederlanders of allochtonen, maar Joden, kafirs en moslims.

Overigens hanteert het kabinet van Netanyahu een soortgelijke religieuze retoriek. Wie Israël bekritiseert, maakt zich schuldig aan antisemitisme. Zo wordt het onderscheid tussen Israëlisch beleid en Jodendom wel moeilijk gemaakt.

Een ingewikkeld verhaal, maar wel met interne consistentie en een tendens tot escalatie. Dat komt door een samenloop van omstandigheden: conflicten in het Midden-Oosten, islamdebat in Europa, toenemende religiositeit. In het geval van Nederland speelt ook nog een toenemend activisme onder Nederlandse moslims. Zij hadden zich al gemobiliseerd om de Syrische oppositie te hulp te schieten toen westerse steun uitbleef – en met name Marokkanen merkten het succes van hun sociale mediacampagne na het ‘minder, minder’-incident. Een botsing, dus, van nationale geschiedenissen, trauma’s en hun morele kompassen. Daar zijn we nog niet uit. Maar uitgangspunt moet blijven: geen enkele bevolkingsgroep mag ‘dood’ of ‘minder’.