Hoge heren? Allemaal zakkenvullers

Mensen wantrouwen leiders en politici. Hoe komt dat? Paul van Lange en Jan-Willem van Prooijen, sociaal psychologen, onderzochten het. En maakten er een boek over.

Illustratie Hajo

Er gaapt een kloof tussen burger en politiek. Hoe dat komt? Nou, gewoon: de hoge heren in Den Haag zijn alleen met hun eigen voordeeltjes bezig, en met het uitdelen van goede banen aan vriendjes. Zo gaat dat met mensen op hoge posities – je ziet het ook bij banken, woningbouwcorporaties, ziekenhuizen, de zorgautoriteit.

Managers daar: allemaal zakkenvullers, allemaal corrupt.

Als mensen dit soort dingen zeggen, kun je dat afdoen als goedkope kapperspraatjes. Maar het wantrouwen dat mensen in het algemeen hebben tegenover politici, managers en andere boven hen geplaatsten, is óók interessant om te onderzoeken. „Het is zó diepgeworteld”, zegt sociaal psycholoog Paul van Lange. „Vooral bij leiders die je niet persoonlijk kent, maar van wie je wel afhankelijk bent. Mensen hebben over het algemeen weinig vertrouwen in de medemens, hebben we aangetoond, maar als iemand macht heeft, is dat nog erger.”

„En er zijn bijvoorbeeld Europese surveys”, vult zijn collega Jan-Willem van Prooijen aan, „waaruit blijkt dat politici de beroepsgroep vormen die mensen het minst vertrouwen.”

Paranoia onder het volk

We zitten op de werkkamer van Van Lange, op de Vrije Universiteit in Amsterdam. Op tafel ligt het net verschenen boek dat ze samenstelden: Power, Politics and Paranoia (Cambridge University Press). Drie jaar geleden, tijdens een congres van Europese sociaal psychologen in Stockholm, kwamen ze op het idee, en het boek was precies op tijd klaar voor het daaropvolgende congres van Europese sociaal psychologen, begin juli in Amsterdam, waar Van Lange een van de wetenschappers was die een prijs kreeg (de Kurt Lewin Medal, een mid-career award) voor zijn wetenschappelijke oeuvre.

Waarom en wanneer wantrouwen mensen hun leiders, dat is de vraag die in het boek centraal staat.

En er zijn natuurlijk twee mogelijke redenen. Ofwel het wantouwen is terecht: mensen met macht zijn echt minder betrouwbaar dan de gemiddelde mens. Ofwel het wantrouwen is onterecht: mensen zijn een beetje paranoïde en denken ten onrechte dat hun leiders niet te vertrouwen zijn.

„Wij concluderen dat beide een beetje waar zijn, maar paranoia onder het volk is de sterkste factor”, zegt Van Prooijen, die zelf onderzoek gedaan heeft naar samenzweringstheorieën. „Want sommige mensen gaan zich juist moreler gedragen als ze aan de macht komen.”

Wanneer is een leider te vertrouwen? Dat hangt onder meer van zijn persoonlijke doelen af, zegt Van Prooijen. „Als iemand een machtspositie ambieert om zijn mooie idealen voor de maatschappij te verwezenlijken, dan zal hij minder snel corrupt zijn dan wanneer hij macht wil om egoïstische redenen, zoals geld en status.”

Paranoïde wantrouwen jegens de macht ontstaat onder meer doordat mensen voorbeelden uit die laatste categorie beter onthouden. Voorbeelden van corrupte of wrede machtshebbers zijn ook vaak extreem: Van Lange en Van Proo-ijen noemen Nixons betrokkenheid bij het Watergateschandaal, de corruptie in de top van energiebedrijf Enron, de gruweldaden begaan door Hitler en Stalin. Dat vergeet je niet snel. En daardoor zullen mensen iemand die macht krijgt in het algemeen niet méér gaan vertrouwen, zegt Van Lange. „Ook wel begrijpelijk, als je van iemand afhankelijk bent. Better safe than sorry.”

Is wantrouwen wel een probleem?

Oké, maar is het dan érg als mensen hun leiders wantrouwen? Ja, vinden de psychologen. Van Lange: „Landen waar volgens de World Value Survey het basisvertrouwen laag is, dus waar mensen weinig vertrouwen hebben in de gemiddelde persoon die ze niet kennen, doen het in tal van opzichten slechter dan landen waar het basisvertrouwen hoog is.”

Neem Brazilië, zegt hij. „Eén van de BRIC-landen. Die zouden economisch snel groeien, maar je ziet dat Brazilië stagneert.”

Zo kan er een vicieuze cirkel van wantrouwen ontstaan: je kunt je voorstellen dat leiders die het niet kunnen waarmaken meer gewantrouwd worden, zegt Van Lange. „En een leider die weinig vertrouwen krijgt, heeft weinig draagvlak als hij veranderingen wil doorvoeren. Als mensen het vertrouwen in hun leider opzeggen, is dat de doodsteek.” „Politici die liegen tegen de Kamer”, vult Van Prooijen aan, „moeten opstappen, omdat het vertrouwen in hen is beschadigd.”

Uitzonderingen zijn er ook: Berlusconi, de Italiaanse oud-premier die onlangs werd vrijgesproken van betaalde seks met een minderjarige prostituee, kreeg bijvoorbeeld een eigen hoofdstuk in het boek.

„Aanhangers van extreme ideologieën zijn bereid meer door de vingers te zien”, verklaart Van Prooijen zijn succes. En die aanhangers zullen ook niet snel op een ander stemmen, omdat hun wantrouwen verder vrij groot is en omdat de extremen vaak minder alternatieven hebben om uit te kiezen.

Vertrouwen kweken? Ga naar Zomergasten

Het is vooral in onzekere tijden dat extreme ideologieën én paranoïde wantrouwen meer voet aan de grond krijgen. Om dat tegen te gaan, zeggen de psychologen, is transparantie belangrijk: een leider moet uitleggen waarom hij welke beslissingen neemt. Wat ook helpt, zegt van Lange, is „proberen uit je categorie te stappen”. Politici als abstracte groep worden gewantrouwd. „Dus als je meer de persoon áchter de politicus laat zien, moet dat leiden tot meer vertrouwen – tenzij iemand echt heel raar in elkaar zit.”

Hij zou het daarom een goed idee vinden als politici in Zomergasten gingen zitten, zoals Wouter Bos deed (toen hij overigens al geen politicus meer was). Of bij De Wereld Draait Door? „Dat is riskanter”, zegt Van Lange. „Tijdsdruk is niet goed om zorgvuldig en volledig te kunnen redeneren en formuleren, en je kunt er onverwachte vragen krijgen, waardoor je per ongeluk iets kunt zeggen dat verkeerd wordt opgevat.... Bij Zomergasten heeft iemand zelf meer de regie en kan hij echt een beeld van zichzelf geven.”

Politici hebben het niet gemakkelijk, daar zijn de psychologen het over eens. „Ze worden eigenlijk door iedereen gewantrouwd, zegt Van Prooijen: „Door de media, door de mensen met wie ze moeten onderhandelen, en door de grote massa.”

„Politieke leiders zijn vaak met de toekomst bezig”, vult Van Lange aan, „en als er iets onzeker is, is het de toekomst. Ze kúnnen zich niet altijd aan hun beloftes houden. En mensen willen juist graag beloftes horen, want die geven een gevoel van beheersbaarheid en vergroten in elk geval voor éven het vertrouwen in onze politieke leiders.”

    • Ellen de Bruin