Vrijwilligers pikken heus geen banen in, FNV

Geef vrijwilliger een stem in het overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid. Praktiseer participatieretoriek, betogen Albert Jan Kruiter en Lucas Meijs.

illustratie kap

‘Vakbond baalt van opmars vrijwillige buschauffeurs’, kopte deze krant zaterdag. Een kop die je even moet laten bezinken. Wat is er mis met (gepensioneerde) mensen die ervoor kiezen om die buurtbus te besturen, zeker als het gaat om buslijnen die anders opgeheven worden? Hoe moeten mensen die gebruik maken van openbaar vervoer anders naar kennissen, het ziekenhuis, hun werk of een andere afspraak? Daarover rept FNV Bondgenoten met geen woord.

Volgens het artikel telt Nederland 150 buurtbusverenigingen met gemiddeld 25 vrijwillige chauffeurs. In totaal dus 3.750. Ze voorzien een veelvoud aan mensen van dagelijks vervoer. De vakbond baalt daarvan. Dat lijkt ons een merkwaardige uiting voor een vakbeweging die ooit uit vrijwillig initiatief ontstond, en nog steeds op vrijwillige inzet van mensen draait.

Natuurlijk kan de manier van communiceren van FNV Bondgenoten ongelukkig gekozen zijn. De vakbond zal weinig tegen individuele vrijwillige chauffeurs persoonlijk hebben, maar vooral tegen de ‘arbeidsverdringing’. Kortgezegd: het werk dat mensen vrijwillig en onbetaald doen, kan ook gedaan worden door beroepsmatige buschauffeurs. Ondernemers die vervoer aanbieden, maken daar misbruik van, aldus de vakbeweging. Waarom mensen inhuren, als er ook mensen zijn die het vrijwillig (lees: bijna gratis) willen doen?

Dat de vakbond voor belangen van beroepsmatige chauffeurs opkomt, is haar taak. Maar het mechanisme dat FNV Bondgenoten hier schetst klopt niet. Verdringing betekent immers dat als vrijwilligers het niet doen, beroepskrachten hun baan behouden. De werkelijkheid is anders. Als vrijwilligers het niet doen worden lijnen opgeheven. Met als gevolg dat vrijwilligers hun vrijwilligersbaan verliezen en mensen geen vervoer meer hebben – maar buschauffeurs ook geen baan. Geen ‘win-win-situatie dus, maar verlies voor iedereen.

Dus, de op solidariteit gebaseerde vakbeweging verwijt vrijwillige buschauffeurs impliciet gebrek aan solidariteit met betaalde buschauffeurs. Er staat nog net niet dat vrijwilligers de banen inpikken. Wat zal de FNV denken van ouderparticipatie op scholen? Van mantelzorgers? Van mensen die af en toe voor de buurt koken? Om maar te zwijgen over de 5.500 vrijwilligers van de FNV die jaarlijks 400.000 mensen helpen bij het invullen van hun belastingaangifte? Valt dat ook onder verdringing? En moet daar geen ‘meldpunt’ voor komen, zoals de vakbond een meldpunt voor arbeidsverdringing door vrijwillige buschauffeurs voorstelde?

Voor de toekomst van de maatschappelijke dienstverlening is de verdringingsdiscussie de verkeerde. De vraag is waar vrijwilligers en beroepskrachten elkaar kunnen aanvullen. Wie de vrijwilliger niet ziet als ‘arbeidsverdringer’ maar als unieke maatschappelijke dienstverlener ziet ook voordelen. In het geval van de buurtbus is dat bijvoorbeeld de grote ‘relationele waarde’ die vrijwilligers hebben. Alleen al het feit dat de buschauffeur, speciaal voor jou als passagier, dit als vrijwilliger doet betekent veel voor mensen. Dat de buschauffeur ook een bekende uit de buurt is, maakt de dienst extra waardevol. De praktische toegevoegde waarde van vrijwilligerswerkdiensten wordt meer als de bus los komt van de ketenen van de lijndienst, zoals bij de vrijwillige wijkbussen. Mensen worden thuis opgehaald. Als er dan ook een vriendelijke meerijder is die een praatje maakt en meeloopt naar de ingang van het ziekenhuis, dan is een busdienst met vrijwilligers echt fundamenteel anders dan een lijndienst met beroepskrachten.

Waar de FNV en de aan de federatie gelieerde bonden, werknemers altijd tegenover werkgevers plaatste, plaatst het werknemers nu expliciet tegenover vrijwilligers. Of genuanceerder: de arbeidsverhoudingen van de toekomst zijn geen uitkomst van een tweestrijd tussen werkgevers en werknemers, maar van werkgevers, werknemers en vrijwilligers. Wat dat betekent voor ons poldermodel, voor de SER, voor CAO’s en reguliere overleggen tussen de sociale partners, zullen we moeten bezien. Wat we wel weten is dat vrijwilligers nauwelijks in die overlegstructuur betrokken worden. En partijen wier belangen niet behartigd worden in het poldermodel delven doorgaans het onderspit.

In die context plaatsten wij ook het ‘balen’ van mensen die zich uit solidariteit voor de samenleving inzetten. Of het ‘aangaan van de strijd’ vanwege ‘verdringing van banen’ door ‘onbetaalde vrijwilligers’, zoals het op fnv.nl heet. Het is inderdaad helaas zo dat beroepschauffeurs hun baan verliezen, maar dat die vrijwillige chauffeurs verwijten heeft met solidariteit en duurzame arbeidsverhoudingen weinig te maken. De belangen en de kwaliteiten van vrijwilligers verdienen structurele behartiging en vertegenwoordiging in de participatiesamenleving. Het argument van arbeidsverdringing moet veel meer in balans komen met de positieve kanten van vrijwilligerswerk.

Wij denken dat een duurzame participatiesamenleving vereist dat vertegenwoordigers van vrijwilligers toegang krijgen tot reguliere overleggen over arbeidsverhoudingen. Vrijwilligerswerk en beroepsmatige arbeid moeten naast elkaar kunnen bestaan, zonder dat vrijwilligers en beroepskrachten tegen elkaar opgezet worden. Een situatie waarin de werkverdeling recht doet aan de professionaliteit van zowel vrijwilliger als beroepskracht.

Tijd dus voor een vierde partij bij het tripartiete overleg. Daarmee laat het kabinet zien dat de participatiesamenleving niet alleen in retorische, maar ook in praktische zin van waarde is.

    • Albert Jan Kruiter
    • Lucas Meijs