Voorbereiding helpt tegen trauma

Het is niet goed dat onderzoekers slapen op de kazerne waar ze ook werken, zeggen deskundigen.

Een rouwwagen bij de Korporaal van Oudheusdenkazerne. Eergisteren arriveerden opnieuw resten van slachtoffers. Foto ANP

Honderden mensen werken mee aan het onderzoek naar vlucht MH17. De deskundigen op de rampplek in Oekraïne rouleren: elke dag vertrekken vijftig experts naar Charkov om te herstellen. En elke dag komen er vijftig andere terug.

Het identificatieonderzoek in Hilversum loopt vrijwel continu: de medewerkers werken tien uur per dag met de lichamelijke resten. Op de kazerne zijn slaapplekken voor de deskundigen. Ze zijn niet verplicht daar te slapen – ze mogen bijvoorbeeld ook naar een hotel – maar vrijwel iedereen maakt er gebruik van. Volgens een woordvoerder van het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO) vooral omdat het praktisch is.

Maar is het ook gezond? Volgens de woordvoerder zijn er geen psychologen betrokken bij het onderzoek, alleen geestelijk verzorgers. Anders dan psychologen werken zij niet vanuit een vaste methodiek: ze hebben aandacht voor de deskundigen en voeren gesprekken met ze. Ook hebben de medewerkers elke dag een briefing en een debriefing. Ze houden vooral elkaar goed in de gaten, zei teamleider Arie de Bruijn eerder.

Slapeloosheid en angst

Peter Markesteyn maakt zich zorgen over de psychologische begeleiding die de medewerkers krijgen. Markesteyn was als forensisch patholoog onder andere betrokken bij het bergen en identificeren van lichamen tijdens de oorlog in Kosovo. Drie van de veertien leden van zijn onderzoeksteam zijn toen vanwege psychische problemen vroegtijdig gestopt.

„Dit soort experts denken dat ze geen hulp nodig hebben”, zegt Markesteyn. „Vooral politiemensen. Maar vaak blijkt het tegendeel waar.” Langdurig verblijf op een rampplek of werken met dode lichamen kan emotionele problemen geven. Slapeloosheid, angst, depressieve klachten of in ernstige gevallen een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

„Door contact met nabestaanden kan medelijden ontstaan”, zegt Markesteyn. „De dode lichamen krijgen dan betekenis en dat maakt het werk moeilijker. Als je dat niet tussendoor kunt verwerken gaat het zich opstapelen.” Hij noemt dit secundaire traumatisering.

Volgens de woordvoerder van het identificatieteam, zijn de deskundigen het gewend. „Het zijn professionals. Ze zijn door hun ervaring enigszins gehard.”

Tijdens het onderzoek zullen de klachten waarschijnlijk ook niet opkomen, denkt Markesteyn. „Je hebt dan een soort psychologische afweer en je voelt je nuttig.” Belangrijker is de periode daarna. „Het zijn misschien professionals, maar ze hebben nu te maken met honderden slachtoffers in één keer. Dat is veel.” Volgens Markesteyn moeten medewerkers daarop voorbereid worden, en over emoties kunnen praten. Bijvoorbeeld door bijeenkomsten met een psycholoog.

Vooral zelfzorg is belangrijk, zegt Berthold Gersons, oud-hoofd psychiatrie van het AMC. Hij is betrokken geweest bij onder andere de Bijlmerramp en de brand in Volendam. Vorig jaar publiceerde hij een groot onderzoek naar PTSS onder politieagenten. „Niet-professionele hulp is soms beter dan professionele hulp”, vindt hij.

Neem het debriefen, waarbij medewerkers onder begeleiding naderhand over hun emoties spreken. Gersons onderzocht agenten die betrokken waren bij de Bijlmerramp. Agenten die bij de debriefing waren geweest hadden naderhand meer emotionele klachten dan degenen die niet gegaan waren. Een jaar later was het verschil nog groter. „Na zo’n onderzoek zijn mensen vermoeid en kwetsbaar”, zegt Gersons. „Ze moeten even bijkomen. Als je dan meteen op de emoties ingaat, kunnen die juist heftiger worden.” Of de debriefings van de onderzoekers in Hilversum lijken op die bij de Bijlmerramp is niet duidelijk.

Onverwachte confrontaties

Anders dan Markesteyn denkt hij niet dat de deskundigen snel het risico lopen op secundaire traumatisering. „Dit soort teams gaat heel systematisch en professioneel te werk. Als ze zich aan hun werkwijze houden is de kans op depressieve klachten of PTSS klein.” Daaronder valt een goede voorbereiding. „Ze moeten van tevoren goed weten wat ze kunnen aantreffen en wat ze precies gaan doen.”

Het risico op PTSS wordt groter bij onverwachte confrontaties met nare situaties, zegt Gersons. „Bijvoorbeeld een politieman die naar een ongeluk toe moet en één gewonde verwacht. Dan ziet hij ineens op de achterbank een klein kindje dat sterft in zijn armen. Daar kan hij last van krijgen.”

Ook rampen van grote omvang en lange, intensieve onderzoeken vergroten de kans op klachten. Gersons: „De mensen op de eerste hulp die jongeren na de brand in Volendam moesten onderzoeken waren allemaal ervaren werkers. Maar na vijftig soms onherkenbare kinderen op de tafel, waren ze zeer aangeslagen.”

Daarbij geldt dat de druk uit de politiek en de maatschappij nu hoog is. Afgelopen maandag zei Ruud Vermeulen, voorzitter van de Nederlandse Officieren Vereniging, in De Telegraaf dat de experts in Oekraïne op de rampplek moeten blijven slapen. Dat zou tijd schelen. Gersons: „Er is een regel dat de plek waar de ramp is, niet de plek moet zijn waar je slaapt.

Even afstand nemen is dus belangrijk. Daarom is het ook zorgelijk dat de experts op de kazerne in Hilversum slapen, vinden Gersons en Markesteyn. „Af en toe moeten ze rust nemen en kunnen ontspannen”, zegt Gersons. „Zodat ze zich kunnen voorbereiden op weer een nieuwe dag.”

    • Anne Vegterlo