Syriëstrijders halen kalifaten door elkaar

Syriëstrijders verwijzen naar Al-Andalus. Maar de beschaving van toen heeft weinig te maken met het kalifaat waarvoor ze strijden, zegt Jaap Cohen.

illustratie tjarko van der pol

Sinds het begin van de oorlog in Syrië duiken ze voortdurend op: YouTube-filmpjes van Syriëgangers die opscheppen over de strijd die ze in naam van Allah mogen leveren, uiteraard met de verzekering dat ze bereid zijn te sterven voor de goede zaak. Met de opmars van ISIS kregen de filmpjes extra betekenis: gruwelijke beelden van massagraven deden de wereld eens te meer beseffen dat het de jihadisten menens is.

Kortgeleden dook er een nieuw filmpje op, dat in Nederland weinig aandacht heeft gekregen. Toch is het interessant. We zien twee twintigers zitten, de één met lang krullend haar, baardje en een legershirt, de ander met een vollere baard en een Arabische sjaal om. De eerste introduceert zich in het Spaans als een strijder in Syrië, en hij stelt zijn vriend voor aan de kijkers. Die leest vervolgens, ook in het Spaans, een verklaring voor: „Ik zeg u, Spanje is het land van onze voorvaderen en als Allah ons bijstaat zullen we het bevrijden. Ik laat de hele wereld weten: we leven onder het islamitische kalifaat, en we zijn bereid hiervoor te sterven totdat we alle bezette gebieden hebben bevrijd, van Jakarta tot Andalusië.”

Voor deze waarschijnlijk uit Spanje afkomstige Syriëgangers houdt de Islamitische Staat van ISIS niet op in Syrië en Irak, maar zal hij een groot deel van de wereld omvatten. Hiertoe behoort volgens hen ook Andalusië. Met het noemen van deze Spaanse regio verwijzen de jongens duidelijk terug naar ‘Al-Andalus’, zoals een groot deel van het Iberisch Schiereiland in de Middeleeuwen heette – toen het in Moorse (en dus: islamitische) handen was. Maar de beschaving waarnaar ze verwijzen heeft weinig gemeen met het kalifaat waarvoor zij in Syrië strijden.

Verschillende geloofsgroepen samen

Al-Andalus heeft bestaan tussen 711 en 1492. Aanvankelijk besloeg het gebied vrijwel het gehele Iberisch Schiereiland en was het onderdeel van het grote Arabische Rijk, dat in Bagdad werd bestuurd – het rijk dat de ISIS-strijders nu willen ‘terugveroveren’. De moslims waren aan de macht, maar ook de twee andere grote wereldreligies waren goed vertegenwoordigd in het gebied: er leefden grote groepen christenen en joden. Die hadden in Al-Andalus een speciale status. Ze waren dhimmi’s, tweederangsburgers die een aparte belasting moesten betalen. In onze eenentwintigste-eeuwse oren klinkt dat discriminerend, en dat was het natuurlijk ook, maar daar stond tegenover dat dhimmi’s bescherming genoten en grote vrijheden bezaten. Joden en christenen mochten zich vrij vestigen en bewegen, ze mochten in het openbaar hun eigen religie belijden en ze waren vrij om hun eigen gemeenschap te besturen. Tenminste, zolang ze maar geen moslims bekeerden of de islamitische machthebbers bestreden.

In de tiende eeuw na Christus kwamen de verschillende bevolkingsgroepen nog dichter bij elkaar te staan. Dat was het gevolg van de politiek van de Moorse heerser Abd al-Rahman III, die zichzelf in Cordoba tot kalief uitriep en Al-Andalus zodoende losmaakte van het grote Arabische Rijk. De nieuwe kalief was een groot militair strateeg, maar ook op andere gebieden liet hij zijn invloed gelden. Hij stelde bij de minderheidsgroeperingen een leider aan – bij voorkeur iemand die zich goed kon bewegen in hofkringen –, die als officiële tussenpersoon gold tussen de kalief en zijn bevolkingsgroep. Aan zijn hof in Cordoba liet de kalief zich omringen door de briljantste geleerden, dichters, musici en geestelijken, en hij spoorde de door hem gekozen minderheidsleiders aan om ook uit hun bevolkingsgroepen culturele hoogvliegers te stimuleren. Zo konden zij eveneens toetreden tot de aristocratie en ontstond er een unieke, intellectuele kruisbestuiving tussen verschillende geloofsgroepen, met name tussen moslims en joden: joodse dichters maakten prachtige Hebreeuwse poëzie gebaseerd op dichttechnieken uit de islamitische wereld, belangrijke Arabische boeken kregen Hebreeuwse vertalingen (en andersom), en joodse en islamitische geleerden zetten zich samen in om wetenschappelijke problemen op te lossen. Filosofie, poëzie, wiskunde, architectuur – ze floreerden allemaal.

Deze bloeiperiode wordt ook wel de Gouden Eeuw van Al-Andalus genoemd. Die term is misschien een beetje overdreven – het was niet alleen maar rozengeur en maneschijn tussen de verschillende geloofsgroepen, en ze hadden nog steeds geen gelijkwaardige positie –, maar er was onomstotelijk sprake van convivencia: een relatief vreedzaam samenleven, gebaseerd op een liberale interpretatie van de islamitische wet. Zo mocht je best genieten van een glaasje wijn en kon het voorkomen dat een jood of christen leiding gaf aan een moslim.

Maar het duurde niet lang

Vanaf de elfde eeuw zou het snel minder worden met de convivencia. Vanuit het noorden van Spanje veroverden katholieken stukje bij beetje grote gebieden op de Moren. Bovendien viel het kalifaat uiteen in tientallen kleine koninkrijkjes. Hun leiders riepen de hulp in van islamitische strijders uit Noord-Afrika, die er een veel orthodoxere interpretatie van de islamitische wet op nahielden. De verhouding tussen moslims, joden en christenen in Al-Andalus kwam steeds meer onder druk te staan.

De voltooiing van de katholieke herovering van Spanje – de reconquista – duurde uiteindelijk nog enkele eeuwen. In de loop van de dertiende eeuw raakte vrijwel het hele schiereiland in christelijke handen. De minderheidsgroeperingen kregen het nu steeds zwaarder te verduren: veel joden en moslims bekeerden zich tot het christendom uit angst voor vervolging. In 1492 veroverde het katholieke koningspaar Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon het laatste Moorse bolwerk, Granada. Nu was heel Spanje in katholieke handen.

Om ‘de eenheid van het volk’ te benadrukken, stelden Isabella en Ferdinand alle niet-christenen voor de keuze: de dood of de doop. Een nieuwe golf aan massabekeringen was het gevolg. De bekeerlingen konden toen niet weten dat zij voor altijd een verdachte groep in de Spaanse samenleving zouden blijven; de Inquisitie zat hen permanent op de hielen om te controleren of ze niet stiekem hun oude geloof praktiseerden. De joden en moslims die zich weigerden te bekeren doodden zichzelf, of sloegen op de vlucht: moslims vooral naar Noord-Afrika, joden naar Portugal, Italië, Marokko en de Balkan – en later naar Amsterdam, waar in de zeventiende eeuw een nieuwe vorm van convivencia zou ontstaan. De katholieke koningen Isabella en Ferdinand vernietigden dus niet alleen Al-Andalus als staat, maar ook zijn kernwaarden uit de tiende eeuw. Met de massabekeringen van moslims en joden verdween de religieuze diversiteit als sneeuw voor de zon.

Massabekeringen toen en nu

Ironisch genoeg zijn het juist deze door katholieken uitgevoerde massabekeringen die doen denken aan de ISIS-praktijken van tegenwoordig in Syrië en Irak. De religies hebben alleen elkaars rol overgenomen. Nu stellen salafistische moslims de christenen in de overwonnen gebieden voor een keuze die veel lijkt op die van meer dan vijf eeuwen terug: bekering of de dood (overigens behoort ook het betalen van een hoge belasting officieel tot de mogelijkheden, maar die keuze is vanwege de ‘onzekere’ toekomst voor religieuze minderheden in het kalifaat weinig populair). En net zoals in de vijftiende en zestiende eeuw massale migratiestromen ontstonden, zijn nu tienduizenden christenen uit Syrië en Irak op de vlucht geslagen, op zoek naar tolerantere gebieden. Want de door ISIS uitgevoerde onthoofdingen en stenigingen zijn bijkans nog bruter dan de straffen die de Inquisitie oplegde.

Kortom: als de Spaanse Syriëgangers van het YouTube-filmpje Al-Andalus écht willen doen herleven, moeten ze vooral niet zo doorgaan. ISIS staat voor onderdrukking, fundamentalisme en terreur – termen die diametraal tegengesteld zijn aan de waarden waarmee Al-Andalus in de tiende eeuw beroemd werd.

    • Jaap Cohen