De Diederik Samsom van de familie

Wat moest je eigenlijk met collega’s van andere kranten, dacht ik toen ik mezelf terug vond boven ‘een Archimedes-schotel’ in Grieks restaurant Delphi tegenover het station in Arnhem.

Behalve dat we allemaal verslag deden van de verrichtingen van Vitesse hadden we niets gemeen.

De gezelligheid kwam in de vorm van een cameraman van Omroep Gelderland die de stilte doorbrak met een goocheltruc. Kort gezegd: hij tipte een askegel van zijn sigaret op de bovenkant van iemands hand, vroeg degene de as over zijn hand uit te wrijven, waarna wat ingewikkelde bewegingen volgden en de as plots ook aan de binnenkant van de hand zat.

Het zal wel aan het Griekse bier gelegen hebben, maar het duurde lang voordat ik doorhad hoe het in z’n werk ging.

De volgende dag voelde ik me een goochelaar.

„Ik ken een truc!” zei ik tegen de vriendin die me vuil aankeek, omdat ik een sigaret opstak. Ik pakte haar armen en zei dat ze die gestrekt moest houden.

„Wacht even”, zei ze. „Is dit die truc waarbij je zojuist as op de binnenkant van mijn hand hebt gesmeerd? Maak je sigaret dan maar weer uit. Ik ken ’m al. Die truc deed mijn vader altijd.”

De volgende dag kwamen mijn zus, haar man en hun twee kinderen op bezoek. Allemaal in vakantietenue, want daarna reden ze in een ruk door naar Beieren. „Naar het huis van Hitler!” riep mijn jongste nichtje enthousiast.

„Wat gaan wij eigenlijk doen?” vroeg ik mezelf hardop af, want onze nieuwe woning was nog helemaal niet ingesteld op zoveel bezoek tegelijkertijd.

Even later wandelden we in een lange sliert – zoveel weten we elkaar nu ook weer niet te zeggen – naar een café-restaurant.

„En daar doe ik een goocheltruc!” riep de joviale oom.

Op het terras stak de jongste haar kinderhandjes vol vertrouwen naar voren terwijl ik aan mijn sigaret zoog.

„Het doet geen pijn”, zei ik, waarna ik voorzichtig de askegel van de – overigens heerlijk smakende – sigaret probeerde te tikken. Nog een keer, iets harder nu, waarna er een gloeiend stukje van de sigaret op haar kleine handje viel.

De truc eindigde bij het fonteintje op het toilet met de belofte dat ik nooit meer zou toveren, terwijl mijn zus de hele tijd: „Tjonge jonge wat een leuke truc” zei.

„Leuke dingen zeggen, stomme dingen doen”, zei mijn nichtje.

Ik was op slag de Diederik Samsom van de familie.

    • Marcel van Roosmalen