opinie

    • Marcel van Roosmalen

Luilekkerland in Arnhem

Ik moest naar Arnhem voor een etentje met Arnhemmers, van wie er een aantal me vooraf diverse keren hadden gebeld dat ik vooral moest komen. Hele verhalen over hoeveel zin ze er in hadden, maar toen ik er eenmaal was, bleek de helft er niet te zijn.

„Ik had ineens toch niet zoveel zin”, zei een van de wegblijvers me de volgende dag. Waar ze ergens anders een smoes verzinnen, vindt de Arnhemmer het de normaalste zaak van de wereld dat hij van mening verandert. Alles onder het motto: ‘Je beste vriend, dat ben je zelf.’

In de aanloop naar dat etentje wandelde ik door de stad. In de Steenstraat, een winkelstraat die de laatste jaren behoorlijk is opgeknapt maar nog steeds niet uitnodigt om te winkelen, werd ik overvallen door een wolkbreuk. Ik schoot de Martinuskerk in, waarvan ik wist dat mijn vader er de laatste jaren regelmatig heen ging.

In de hal stond een tachtiger, de broek te hoog opgetrokken, met een emmer sop een houten deur te boenen. Ik zei dat het hard regende, waarop hij antwoordde dat het wel meeviel.

„Straks viel er veel meer uit.”

Met zo’n zin heb je me meteen.

‘Straks’ gebruiken in de verleden tijd en de hemel voorstellen als een bak met water die ze nu en dan omkieperen. We spraken kort over het gebouw, waarvan hij blij was dat het een paar jaar geleden was gerestaureerd. Hij hield de duimen een centimeter of tien uit elkaar en zei dat er ‘zulke wurmen’ in de houten balken hadden gezeten.

„Het was luilekkerland hier, die beesten vraten zich helemaal vol. Probeer die er maar eens uit te krijgen met een handvol parochianen.”

Ik vroeg of hij mijn vader, de heer Van Roosmalen, had gekend. Hij stopte even met boenen, wreef met de mouw van zijn blouse de bril schoon en vroeg: „Overleden?”

Ik knikte.

„Had hij een bril?”

Ik knikte weer.

„Ja”, zei de man. „Die ken ik wel. Die heeft ook nog meegeholpen met het verjagen van de wurmen.”

Ik wist zeker dat het niet waar was, maar vond het toch leuk om te horen hoe mijn vader, die hoogtevrees had, in die kerk op een ladder was geklommen om de balken in het plafond te behandelen met een gif en dat hij daarna op de brommer, die hij nooit gehad heeft, was teruggereden naar huis.

„Mijn vader had geen brommer”, zei ik.

De man haperde geen moment.

„Dan had hij een fiets, ik zie hem nog zo weg rijden.”

    • Marcel van Roosmalen