Leesfragment: ‘Augustus’ van John Williams

John Williams Foto Lebowski

Van John Williams (Stoner) verschijnt morgen voor het eerst een vertaling van zijn roman Augustus, over het Romeinse keizerrijk. In dit leesfragment komt een man slecht nieuws brengen aan militairen op het slagveld.

Augustus is de vierde roman van de Amerikaanse schrijver John Williams (1922- 1994) en de derde die in Nederlandse vertaling verschijnt. Een jaar geleden las iedereen plots Stoner (1965), een vergeten universiteitsroman uit de jaren zestig.

In november vorig jaar verscheen Williams’ tweede roman Butcher’s Crossing (1960) in het Nederlands.

Morgen komt Augustus uit, de roman die in 1973 met de toekenning van de Amerikaanse National Book Award werd verkozen tot de beste Amerikaanse roman van 1972.

Leesfragment: De boodschapper

Middag. De zon schijnt fel, heet. Een stuk of tien, twaalf officieren en wij op een heuvel, vanwaar we neerkijken op de manoeuvres van de cavalerie in het veld. Er stijgen stofwolken op terwijl de paarden galopperen en keren; vanuit de verte, tussen het hoefgetrappel door, klinkt geschreeuw, gelach en gevloek. Allemaal, op Maecenas na, zijn we vanaf het veld naar boven geklommen en rusten uit.

Ik heb mijn wapenrusting uitgetrokken en ga er met mijn hoofd op liggen. Maecenas, met een vlekkeloze tunica en zijn haar keurig in orde, zit met zijn rug tegen de stam van een boompje – Agrippa staat naast me, het zweet druipt van zijn lichaam, zijn benen zijn als zuilen van steen. Naast hem staat Octavius, met zijn ranke lijf dat natrilt van de recente oefening – pas als hij in de buurt van iemand als Agrippa staat, besef je hoe tenger hij is – met dat bleke gezicht van hem, het sluike haar dat nat van het zweet tegen zijn voorhoofd plakt. Octavius glimlacht en wijst op iets onder ons; Agrippa knikt. We voelen ons allemaal goed: het heeft al een week niet geregend, het is warmer geworden, we zijn tevreden over onze vaardigheden en over de vaardigheden van de soldaten.

Ik pen deze woorden haastig neer, weet niet wanneer ik er weer een gelegenheid voor krijg. Ik moet alles optekenen.
De ruiters onder ons rusten uit, hun paarden scharrelen rond. Octavius gaat naast me zitten, duwt mijn hoofd voor de grap van de wapenrusting – het is er de stemming naar dat we om niets lachen. Agrippa glimlacht naar ons en rekt zijn grote armen uit; in de stilte is het gekraak van het leer van zijn kuras te horen.

Achter ons klinkt de stem van Maecenas – hoog, dun, enigszins geaffecteerd, bijna vrouwelijk. ‘Jongetjes die soldaatje spelen,’ zegt hij. ‘Wat onbeschrijfelijk saai.’

‘Als je de kracht zou hebben om dat omvangrijke achterwerk van je van wat voor comfortabele ondergrond dan ook te verheffen,’ zegt Agrippa, met zijn donkere stem, traag, weloverwogen, en met die plechtstatigheid die zoveel verhult, ‘dan zou je merken dat er buiten het luxueuze leven dat jij voorstaat nog andere genoegens zijn.’

Octavius: ‘Misschien zouden we de Parthen kunnen overhalen om hem als hun generaal te accepteren. Dan zouden we het aanstaande zomer heel wat gemakkelijker hebben.’

Maecenas slaakt een diepe zucht, komt overeind, en loopt naar de plek waar we liggen. Voor iemand zo zwaar als hij, is hij opvallend lichtvoetig. ‘Terwijl jullie je bezondigen aan die ordinaire spelletjes, heb ik het plan opgevat voor een gedicht waarin het actieve versus het contemplatieve leven wordt onderzocht,’ zegt hij. ‘De wijsheid van het leven dat ik ken; ik heb aanschouwd hoe dwaas het andere is.’

Octavius, ernstig: ‘Ooit heeft mijn oom me gezegd dat ik de dichters moest lezen, van hen moest houden, van hen gebruik moest maken – maar dat ik ze nooit moest vertrouwen.’

‘Die oom van je,’ zegt Maecenas, ‘is een wijze man.’

Meer geplaag. We vallen stil. Het veld onder ons is bijna leeg; de paarden zijn weggeleid naar de stallen aan de rand van het veld. Onder aan het veld, komend vanuit de richting van de stad, galoppeert op volle snelheid een ruiter. We kijken passief toe. Hij nadert het veld, weifelt niet, maar steekt het over, terwijl hij heen en weer zwaait in zijn zadel. Ik wil iets zeggen, maar Octavius is verstijfd. Zijn gezichtsuitdrukking is veranderd. We kunnen het schuim op de mond van het paard zien staan. ‘Ik ken die man,’ zegt Octavius. ‘Hij behoort tot het huishouden van mijn moeder.’

Hij is nu bijna bij ons; het paard vertraagt zijn pas. De man glijdt uit zijn zadel, struikelt, komt wankelend op ons af, met iets in zijn hand. Enkele soldaten om ons heen hebben het gezien – met een half getrokken zwaard rennen ze op ons af, maar ze zien dat de man hulpeloos van uitputting is en alleen nog op zijn wilskracht vooruitkomt. Hij steekt Octavius iets toe. ‘Dit… dit…’ brengt hij uit. Het is een brief. Octavius pakt hem aan en houdt hem vast, blijft even roerloos staan. De boodschapper stort in, gaat zitten en steekt zijn hoofd tussen zijn knieën. Het enige wat we horen, is het schorre gehijg van zijn ademhaling. Ik kijk naar het paard en denk afwezig dat het zo kortademig is dat het voor de volgende dag zal sterven. Octavius heeft zich niet bewogen. Iedereen is stil. Hij rolt de brief langzaam open, hij leest – aan zijn gelaat is niets af te lezen. Nog altijd zegt hij geen woord. Na lang wachten richt hij zijn hoofd op. Zijn gezicht is bleek als wit marmer. Hij drukt mij de brief in de handen; ik kijk er niet naar. ‘Mijn oom is dood,’ zegt hij, met een doffe, vlakke stem.

De woorden dringen niet tot ons door; we kijken hem verbluft aan. Zijn gelaatsuitdrukking verandert niet, maar hij spreekt weer, en zijn stem klinkt schor, luid, en is vervuld van een onbegrepen pijn, als het loeien van een jonge stier waarvan de keel bij een offerplechtigheid is opengesneden. ‘Julius Caesar is dood.’

‘Nee,’ zegt Agrippa. ‘Nee.’

Het gezicht van Maecenas is samengeknepen; als een valk kijkt hij Octavius aan.

Mijn hand trilt zo hevig dat ik niet kan lezen wat er staat. Ik breng mezelf tot rust. Mijn stem klinkt vreemd. Ik lees hardop voor: ‘Op deze idus van maart is Julius Caesar in het huis van de senaat door zijn vijanden vermoord. Er zijn geen details bekend. De mensen rennen opgewonden door de straten. Niemand weet wat er staat te gebeuren. Je zou in groot gevaar kunnen verkeren. Meer kan ik niet schrijven. Je moeder smeekt je dringend om goed op jezelf te passen.’ De brief is in grote haast geschreven; er zitten inktvlekken op en de letters zijn slordig.

Ik kijk om me heen, zonder te weten wat ik voel. Een leegte? De officieren staan in een kring om ons heen, ik kijk een van hen in de ogen. Zijn gezicht vertrekt, ik hoor een snik en ik herinner me dat dit een van Caesars voornaamste legioenen is, en dat de veteranen hem als een vader beschouwen.

Na lange tijd komt Octavius in beweging. Hij loopt naar de boodschapper, die op de grond blijft zitten, met een gezicht dat slap is van de uitputting. Octavius knielt naast hem neer; zijn stem klinkt vriendelijk. ‘Weet je nog iets wat niet in de brief staat?’

‘Nee, meneer,’ zegt de boodschapper, en hij wil overeind komen, maar Octavius legt zijn hand op zijn schouder en zegt: ‘Neem rust.’ Hij komt overeind en spreekt een van de officieren aan. ‘Laat deze man goed verzorgen en geef hem een comfortabel onderdak.’ Dan draait hij zich om naar ons drieën. ‘We zullen het er later over hebben. Nu moet ik nadenken over wat dit allemaal te betekenen heeft.’ Hij strekt zijn hand naar me uit, en ik begrijp dat hij de brief wil. Ik overhandig hem, en hij wendt zich van ons af. De kring van officieren opent zich voor hem, en hij loopt de heuvel af. We kijken hem lang na, een wat jongensachtige gestalte op het verlaten veld, die zich traag voortbeweegt, dan weer de ene kant op, dan de andere, alsof hij probeert uit te zoeken welke kant hij op moet gaan.

Uit: John Williams: Augustus, vertaald door Edzard Krol. Lebowski, 432 blz. €19,95

Ter ere van de verschijning van Williams’ Augustus organiseert uitgeverij Lebowski een Keizer Augustus-avond. Deze vindt op 19 augustus plaats in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

    • Roderick Nieuwenhuis