Weggevaagd Frans dorp heeft nog wel burgemeester

Herdenken kunnen Fransen als geen ander volk. Burgemeesters van gemeenten zonder inwoners houden in de omgeving van Verdun de herinnering levend aan dorpen die daar in de Grote Oorlog werden weggevaagd.

Hij is echt burgemeester. Jean-Pierre Laparra draagt een sjerp in de kleuren van de Franse vlag, stelt jaarlijks een begroting op en hij waakt over de publieke voorzieningen van zijn dorp. Hij heeft zelfs wethouders. Maar in zijn gemeente woont niemand.

Had Fleury-devant-Douaumont in 1913 nog 422 inwoners, nu is het dorpje in het oosten van Frankrijk verlaten. Het werd tijdens de Slag om Verdun in 1916 geheel verwoest en niet meer opgebouwd. Fleury ‘stierf voor Frankrijk’, zoals dat op de monumenten heet: mort pour la France.

Het verleden is in Frankrijk nooit ver weg. Herdenken kunnen Fransen als geen ander volk. Liefst 40.000 monumenten voor de ‘Grote Oorlog’ telt het land, op zo’n 36.000 gemeenten. Ze staan voor de kerk of het stadhuis, voorzien van een lijst namen van ‘nos enfants’ die tussen 1914 en 1918 verdwenen. Daaronder hangt dan vaak nog onhandig een aanvullende verliesrekening bevestigd voor de slachtoffers die andere wereldoorlog. Maar: „Onze oorlog, dat is de Grote Oorlog”, vat burgemeester Laparra het Franse gevoel samen. Van de 40 miljoen Fransen kwamen er in die vier jaar 1,4 miljoen om het leven, geen familie die niet direct is. En Verdun, waar in 1936 de eerste gezamenlijke Frans-Duitse herdenking werd gehouden, neemt in het collectieve geheugen een centrale plaats in.

Wie Fleury binnenrijdt via de D913, langs de bossen waar in 1916 300.000 Franse en Duitse soldaten sneuvelden, passeert een gewoon plaatsnaambord. Dan een eerste monument: ‘Hier lag Fleury’, staat er. En aan de linkerkant van de weg tussen de bomen de contouren van wat het dorp geweest moet zijn.

„Om Fleury en acht andere historische plaatsen in de verwoeste rode zone boven Verdun eer aan te doen, besloot Frankrijk na de oorlog de zelfstandige gemeentes te laten voortbestaan”, legt Laparra uit. „Wij burgemeesters houden de herinnering levend. En we beheren de monumenten.” Maar Fleury is in feite een monument op zichzelf.

Toeristen schuifelen fluisterend over de smalle paden langs de door mos overgroeide granaatkraters: honderd jaar na het uitbreken van de ‘Grote Oorlog’ getuigt zelfs de natuur nog altijd van de slag die geleverd is. Geen vierkante meter die niet onder vuur heeft gelegen. Fleury wisselde tussen 23 juni en 17 augustus 1916 zestien keer van handen, toen uiteindelijk een Marokkaans regiment het definitief terugpakte. Bordjes wijzen de weg: links had de hoefsmid zijn werkplaats, rechts woonde bakker Hubert.

Grasmaaien

Laparra (62) bestuurt het dorp sinds 2008, toen zijn voorganger, een kolonel buiten dienst, overleed. Bij gebrek aan kiezers, werd hij benoemd door de prefect van het departement. Zijn opa werd in 1914 gemobiliseerd (en overleefde de oorlog miraculeus), zijn overgrootvader groeide op in Fleury. „Daarom heb ik mezelf aangeboden”, zegt Laparra, die in Verdun woont. Zijn begroting, 22.000 euro per jaar, gaat voor de helft op aan het maaien van gras.

Zijn collega Sylvaine Vaudron bestuurt het aangrenzende Douaumont, waar in 1932 het immense ‘ossuarium’ werd gebouwd erd voor de botten van 130.000 nooit geïdentificeerde slachtoffers. Ook van het oorspronkelijke Douaumont resteert niets. Vanuit een kamer in het toeristenrestaurant dat ze hier runt vaardigt ze gemeentelijke verordeningen uit. De laatste dateert van vorige maand, toen de Tour de France passeerde: op een provisorische prikbord kondigt de mairie een parkeerverbod aan voor campers.

De ‘martelaarsdorpen’, zoals ze soms genoemd worden, behielden hun bestuurlijke status, maar niemand keerde naar het gedeukte maanlandschap terug. „Vergeet niet”, zegt Vaudron, „dat er nog altijd tussen de 15.000 en 20.000 lichamen onder de grond liggen. Uit respect ga je daar geen huis op zetten.”

Een wat oudere Franse toerist die een tocht langs de vroegere frontlinies maakt en nu hier in Fleury op zijn buik ligt voor een foto, is het daar helemaal mee eens. „Hier had de grootste veldslag uit de Franse geschiedenis plaats”, zegt hij. „Een militaire overwinning, tegen een onwaarschijnlijk hoge prijs.”

Dat is wat Fransen al generaties lang op school leren. Terwijl voor Duitsers, Britten en Canadezen de Slag aan de Somme in Noord-Frankrijk het symbool is geworden van de Eerste Wereldoorlog, is dat de voor de Fransen de Slag om Verdun. Niet omdat er meer doden vielen (circa 300.000 in negen maanden, tegenover meer dan een miljoen in vijf maanden bij de Somme) of omdat de uiteindelijke Franse overwinning een keerpunt in de oorlog was. Terreinwinst was er amper.

Maar Verdun zou de toegangspoort zijn geweest tot Frankrijk, leren de schoolboeken. De Duitsers wilden hier op deze symbolische grond, waar in 843 de kleinzonen van Karel de Grote zijn rijk verdeelden, de Fransen in de woorden van de Duitse bevelhebber Erich von Falkenhayn, laten „doodbloeden”. Via de mythische Voie Sacrée, de enige toegangsweg, voerde Frankrijk steeds nieuw kanonnenvoer aan.

Maar Falkenhayns intenties werden pas in 1921 opgetekend en zijn dus mogelijk een geval van geschiedschrijving achteraf. Wat in de Franse herinnering meegespeeld heeft, zegt de Franse historicus en Verdun-kenner François Cochet van de Universiteit van Metz, is dat „vrijwel het hele Franse leger in Verdun is geweest”: de legerleiding, te beginnen met de latere Vichy-leider Philippe Pétain, koos voor een rotatiesysteem waarbij soldaten na twee weken front door collega’s werden afgelost. ‘Verdun’ maakte zo generaties lang deel uit van familiegeschiedenissen en van de sociale verhoudingen in het algemeen.

Verdun is geen Waterloo

Dat de in de overlevering steeds heroïscher Franse troepen hier maandenlang rechtstreeks tegenover Duitse troepen stonden, zonder hulp van Britten of Amerikanen, zal voor het natiebesef ook zeker een rol hebben gespeeld, zegt Cochet. Toch is Verdun „geen Waterloo, Sedan, Koersk of Stalingrad”, schrijft de Amerikaanse historicus Paul Jankowski in een recent boek dat voor de Fransen even slikken was. De Slag bij Verdun had volgens hem „niets van een beslissende strijd” en vond vooral „bij toeval” plaats.

Waarom heeft ‘Verdun’ in de loop der jaren dan toch die centrale plaats in het collectieve Franse geheugen gekregen? Jankowski’s antwoord is zo mogelijk nog pijnlijker: „Er waren decennia voor nodig”, schrijft hij, „om te begrijpen dat Verdun de laatste grote militaire overwinning voor het Franse leger zou zijn.”

Terug naar Fleury en Douaumont, de dorpen die vielen voor het vaderland. Hoe langer de oorlog voorbij is, constateert burgemeester Sylvaine Vaudron van Douaumont, hoe meer belangstelling er lijkt van jongere generaties. „Ze willen weten waar alle familietrauma’s vandaan komen”, vermoedt een jeugdige medewerker van haar restaurant. De toerist met het fototoestel denkt er het zijne van: „In de loopgraven van Verdun brachten onze voorouders de offers die van Frankrijk een moderne natie maakten.”

    • Peter Vermaas