De hersenschuddingstest

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Er zijn twee dingen die Amerikanen niet begrijpen van Europees voetbal. Een is dat fans elkaar buiten het veld de hersenen in slaan. Twee is dat de spelers in het veld doen alsof. Zoals bij de schwalbe, de nepblessure waarbij een speler dramatisch neervalt zonder geraakt te zijn, inclusief een van pijn vertrokken gezicht.

In Amerika is het precies andersom. Op de tribune is het altijd een gezellig samenzijn. Je neemt met plezier kleine kinderen mee naar een wedstrijd. Maar op het veld is, zeker bij American football, zo’n beetje alles toegestaan. Bovenal laat je je als speler nooit kennen. Het is een spel voor stoere jongens, ferme knapen die doorgaan, ook al verrekken ze van de pijn. De schwalbe is voor mietjes en dus totaal onbekend op de Amerikaanse sportvelden.

Maar langzamerhand begint iets door te dringen van de gevaren van dit machogedrag. Elk jaar overlijden er spelers ten gevolge van doorspelen na een ernstige blessure. De sport moet tegen zijn eigen incasseermentaliteit beschermd worden. En dit geldt in het bijzonder voor kinderen. Iedere 25 seconde komt er een jonge atleet met een blessure bij de eerste hulp.

Afgelopen mei organiseerde president Obama daarom een officiële „kinderhersenschuddingstop” in het Witte Huis. Er sprak een meisje dat in haar schooltijd bij het voetbal maar liefst vijf hersenschuddingen had opgelopen. Het is nu een zaak van de hoogste prioriteit: het Amerikaanse kinderbrein moet beschermd worden.

Zo ook dat van mijn zoons. Volgende week begint het voetbalvoorseizoen, zo belangrijk dat de meeste ouders, ook wij, hun vakantie eromheen plannen. Dit is dé gelegenheid om je talenten als aankomend ster te demonsteren in de hoop in het varsityteam gekozen te worden. De varsityspelers zijn helden die de eer van de school hooghouden. Als straks, na een eindeloze zomervakantie, het schooljaar weer begint, wijkt alles voor de competitie. Op de dag van een uitwedstrijd draagt het team een overhemd met das. De spelers mogen eerder weg uit de les om te trainen. Schoolbussen afgeladen met fans vertrekken rond het middaguur om te gaan supporteren. Lokale kranten staan klaar voor de mooiste actiefoto’s die trotse ouders vervolgens aan hun keukenmuur hangen.

Maar voor de kinderen überhaupt mogen voetballen, is er de verplichte medische keuring. Een eindeloze stapel formulieren moet worden ingevuld – zeg nooit dat Amerika geen bureaucratie kent! – met informatie over verboden medicijnen, wat te doen in levensbedreigende situaties, en dat je als ouder alle verantwoordelijkheid voor ellende op je neemt. De perfecte voorbereiding op heerlijk ontspannen sporten!

En, niet te vergeten, is daar de hersenschuddingstest. Dit is een intelligentietest die voor het sporten wordt afgenomen. In het geval van een vermoedelijke hersenschudding doe je hem nog eens, om vergelijkingsmateriaal te hebben voor en na de botsing. Kun je precies zien hoeveel hersencellen je hebt verloren.

Het klaslokaaltje waar ik mijn zoons heen breng, zit vol kinderen, elk met een computer voor de neus. „Vond je het moeilijk?”, vraagt mijn jongste zoon aan mijn oudste als hij uit het testhokje loopt. „Ik heb expres niet mijn best gedaan”, zegt mijn oudste. „Dit is een test die je beter kan verprutsen.”

Het doet me denken aan die belegen grap waarin een patiënt na de operatie aan de dokter vraagt of hij nu wel piano kan spelen. „Goed, want dat heb ik nooit gekund.”