De boeken van 1989: ‘De verborgen mens’ van Andrej Platonov

Deze zomer leest Arjen Fortuin dezelfde boeken als 25 jaar geleden, in zijn eerste zomer als volwassene. Deze week: ‘De verborgen mens’ van Andrej Platonov . Het is geen onwil. In elke kast staan ze: verwijtboeken. Boeken die al een tijdje – wat heet, jaren – op een plank staan te verpieteren tot iemand eindelijk

Boekenredacteur Arjen Fortuin met de boeken die hij in 1989, in zijn eerste zomer als volwassenen, las. Foto NRC

Deze zomer leest Arjen Fortuin dezelfde boeken als 25 jaar geleden, in zijn eerste zomer als volwassene. Deze week: ‘De verborgen mens’ van Andrej Platonov .

Het is geen onwil. In elke kast staan ze: verwijtboeken. Boeken die al een tijdje – wat heet, jaren – op een plank staan te verpieteren tot iemand eindelijk het fatsoen kan opbrengen om ze eindelijk te gaan lezen. Zo kijkt Tsjevengoer, het meesterwerk van Andrej Platonov, mij al sinds de vorige eeuw met trouwe hondenogen aan; nog op ooghoogte ook. Het is dus een vorm van adding insult to injury dat ik nu het dunne Platonovje ernaast pak – de reden dat ik Tsjevengoer ooit wilde lezen: een pocket met twee novellen: De verborgen mens en De thuiskomst.

Maar ja, regels zijn regels en dit is het boekje waarin ik op 9 juli 1989 de mededeling las dat Foma Poechov, de held van het verhaal, niet sentimenteel was uitgevallen: ‘op de doodkist van zijn vrouw sneed hij een gekookte worst aan plakjes, uitgehongerd als hij was door het heengaan van zijn huisvrouw’.

Na die openingszin – je geneert je haast dat je er honger van krijgt – kan het eigenlijk niet meer mis met De verborgen mens (1928). We bevinden ons in de burgeroorlog tussen de Witten en de Roden en de verse weduwnaar Poechov sluit zich aan bij de bolsjewieken. Een man alleen moet toch wat.

Op volstrekt onthechte wijze weet hij het er steeds weer levend af te brengen, zonder ooit op idealen te betrappen te zijn.

Wat hem gelukkig maakt, behalve die gekookte worst dan? Machines! Of het nu de ingewanden van een oorlogsschip zijn of de assen van een stoomlocomotief, in het bijzijn van staal, stoom, olie en kogellagers wordt hij gelukkig. Een motor leeft, immers, zelfs in het geval van een defect: ‘Zelfs ’s nachts dacht Poechov nog aan de motor. Languit liggend in zijn kale kajuit voerde hij er hele twistgesprekken mee om hem te overtuigen.’

De verborgen mens (ik las het destijds in twee dagen uit) is een boek dat je geen andere illusie laat dan de schoonheid van bewegend staal en de kracht van literatuur. Hoe diep deprimerend het door de oorlog verschroeide zuiden van de Sovjet-Unie ook is, Poechows droge opmerkzaamheid maakt veel draaglijk. ‘Daarom is onze vriend Zworytsjnyj dus lid van de partij geworden [...] Zijn jongen is gestorven. Nou, dat kan iedereen overkomen, maar de vader had er verdriet van, Hij kon zijn draai niet meer vinden, zijn wijf is een stuk venijn, en dus vooruit: in de partij!’

Als je dat leest, verbaas je je erover dat Platonov (1899-1951) alle zuiveringen heeft overleefd. En, minder vrolijk, dat die partij het zelfs nog volhield tot na 1989. Ongetwijfeld omdat de communisten zoveel beter waren met machines dan met mensen.

    • Arjen Fortuin