Zo militant was het in Israël nooit

Het andere geluid in Israël, de vredesroep, wordt niet gehoord, meent Assaf Gavron.

illustratie adam zyglis

Kortgeleden was ik uitgenodigd door de inwoners van Tekoa, een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever, om met hen te komen praten over mijn roman De nederzetting, het fictieve verhaal van een zelfde joodse nederzetting als die van hen, met haar vele personages en hun onderlinge relaties, en ook hun betrekkingen met de buitenwereld: de Palestijnen, het leger, de media, de politici.

We probeerden de politiek erbuiten te houden, zo’n soort avond was het niet, maar toen kon de gastheer zich niet meer inhouden en vroeg hij me naar mijn opvattingen, als iemand die duidelijk een poging heeft gedaan om de kolonisten, hun drijfveren en ideologieën te leren kennen. „O, ja,” zei ik tegen hem: „Ik vind de nederzettingen zeker een probleem.” Door de hele zaal klonk gegrinnik. „Nog een paar dagen wachten,” zei iemand uit het publiek, „nog een paar raketten op Tel Aviv, en iedereen is overtuigd.”

„Maar dat is het nu juist,” antwoordde ik, „wat er ook gebeurt, iedereen raakt des te vaster overtuigd van zijn bestaande opvattingen. U zegt: „Wij kunnen de Palestijnen niet vertrouwen, ze zijn gewelddadig, ze willen ons vermoorden, we kunnen hen niet zichzelf laten besturen zonder hen in de gaten te houden omdat ze dan alleen maar wapens verzamelen en aanslagen voorbereiden.” En wij zeggen: „Wij dragen de verantwoordelijkheid, want wij zijn de sterke partij, de bezetter. Wij geven de Palestijnen geen hoop en laten hun geen andere keuze dan geweld te gebruiken. We doen niet genoeg ons best met diplomatie en we moeten wel tot een akkoord komen, want oorlog en geweld zijn nooit de oplossing.”

En het probleem is dit: ik weet eigenlijk niet wat deprimerender is, de feitelijke toestand, met al deze gruwel van dood en verderf en stapels lijken, of het feit dat er bewust geen manier lijkt te bestaan om deze eindeloze cirkel te doorbreken. Niets is voor iemand reden om te wijken, om die gezegende overeenkomst te bereiken, te verwezenlijken. Iedereen graaft zich alleen maar dieper in en houdt nog steviger aan zijn of haar mening vast.

Vijfentwintig jaar geleden was ik soldaat in Gaza, tijdens de eerste Intifada. We patrouilleerden door de stad en de dorpen en vluchtelingenkampen en stuitten op boze tieners die stenen naar ons gooiden. Wij reageerden met traangas en rubberkogels die we in de lucht schoten. Nu lijkt dit wel de goede oude onschuldige tijd. Wat ik sindsdien heb meegemaakt is een gestage escalatie. Stenen werden vervangen door geweren en zelfmoordaanslagen, en inmiddels door raketten en goed voorbereide, getrainde en gemotiveerde milities. Voor mij is dit eenvoudig te verklaren – Israël gebruikte vooral geweld, heeft geen oprechte poging gedaan om tot een eerlijk akkoord te komen en kreeg met steeds meer weerstand te maken. Maar ik zie ook de complexiteit van de afgelopen eeuw, de vele facetten. En de huidige toestand wordt des te deprimerender, los van het feitelijke geweld, los van de onverbrekelijke ideologische kringloop, door de aard die de interne discussie in de Israëlische samenleving deze keer heeft aangenomen.

Zo militant, bedreigend, onverdraagzaam en onverzoenlijk is het hier nog nooit geweest. Ik merk deze tendens al sinds de Israëlische operatie in Gaza van 2008, maar ze wordt alleen maar sterker – er lijkt één stem te zijn, georkestreerd door de overheid en de woordvoerder van het leger, en deze stem weerklinkt dankzij een clan van trouwe media tot in alle hoeken van het land, en deze stem is echt de enige stem die te horen is. Pogingen om een weerwoord te laten horen, vragen te stellen, tegenwerpingen te maken, een andere kleur dan de eensgezinde hoofdtint te laten zien, stuiten in het beste geval op spot en misprijzen en krijgen in andere gevallen te maken met bedreiging, laster en soms zelfs aanvallen. Mensen die niet ‘achter onze troepen staan’, worden als verraders gezien en kranten die vragen stellen over het beleid en optreden van het leger, ‘ondermijnen het moreel’. Bij een linkse anti-oorlogdemonstratie in Tel Aviv werd een rechtse tegenbetoging gehouden waarvan de deelnemers de linkse demonstranten te lijf gingen. Journalist Gideon Levy van Haaretz, bekend om zijn pro-Palestijnse standpunten, schreef tegen Israëlische piloten die burgers bombarderen. Hij is verguisd als nooit tevoren, omdat hij de heilige koe van de samenleving had gekwetst. Mijn vriend Etgar Keret, de schrijver die uitlegde dat het Israëlische leger deze oorlog niet kan winnen, en zijn vrouw Shira Geffen, de regisseur die filmpubliek vroeg om op te staan uit respect voor de Palestijnse kinderen die bij het Israëlische offensief waren omgekomen, kregen doodsbedreigingen. Comédienne Orna Banay verloor haar reclamewerk omdat ze zei: „Ik schaam me voor ons volk, dat wordt gedreven door haat en kleingeestigheid.” De laatste tijd is het woord ‘McCarthyisme’ gevallen.

Dit alles heeft zijn uitwerking. Ik ken mensen die bang zijn om naar betogingen of naar tv-studio’s te gaan. Politici van de oppositie scharen zich achter de regering en spreken zich nauwelijks uit tegen haar optreden. Links wordt zwakker en kleiner.

Ik ben nog niet klaar, want de escalatie van de depressie gaat nog een stap verder en daar komt u, als lezer, in het spel. Want als wij ons tot de wereld wenden, wij, deze opgejaagde linkse minderheid, de mensen die geloven in de mensenrechten, in het compromis, in onderling overleg, in vrede, die zich verzetten tegen het geweld aan weerszijden en die niet blind zijn voor het aanhoudende onvermogen om enige vooruitgang te boeken – als wij ons tot de wereld wenden, krijgen we geen steun. Wij worden gelijkgesteld met de meerderheid, we zijn onderdeel van het kwaad. Wij worden geboycot – academici, schrijvers, kunstenaars. Mensen die met de rug tegen de muur staan en krampachtig proberen deze ondergang te stuiten. Wij proberen een andere, verstandige stem te presenteren, maar onze stem wordt niet gehoord, zelfs niet door hen van wie wij hulp verwachten om ons luider te laten klinken. Wij zien maar medeleven met één partij en wij hebben weinig sympathie voor mensen die blind zijn voor leed van de andere partij. Ik ben geschokt door duizend dode Palestijnen en door zoveel Israëliërs die daar geen moment bij stilstaan. Maar ik ben ook diepbedroefd over de tientallen jonge Israëliërs die het leven laten en over de velen op de wereld die niet ook onze kant van de tragedie erkennen. Wij zitten tussen twee vuren.

    • Assaf Gavron