Schreeuw niet zo van de daken over die oorlog

Er zijn een hoop meningen over de oorlog tussen Israël en Hamas. Té veel. Het is geen optie om je niet te engageren, constateert Francisca Wals. Het digitaal verdedigen van Palestina lijkt een kwestie van profileren.

Illustratie Anne van Wieren

Israël heeft drie keer met Hebreeuwse liedjes het Eurovisiesongfestival gewonnen, vrouwen moeten er het leger in, en in Tel Aviv schijnt het leuk te zijn voor homo’s. In Palestina spreken ze Arabisch, cultuurfilosoof Edward Saïd komt ervandaan, net als Sami Tamimi, die van dat kookboek van Yotam Ottolenghi, Jerusalem. Dat is zo’n beetje alles wat ik van Israël en Palestina weet; lukrake kennis, toevallig vergaard. Dat Israël en Palestijnen al sinds 1948 in conflict zijn, dat weet ik ook – nog van het Jeugdjournaal.

Sinds 8 juli is het weer raak, las ik in de krant. Nieuwe gevechten. Iets met ontvoerde tieners, tunnels van Hamas en Israël dat een grondinvasie begon. Maar hoe het er in deze ‘oorlog nummer zoveel’ nou precies aan toegaat, wie de bad guy is en wie de gedupeerde? Ik weet het niet. Niet dat het me niks kan schelen; ik weet gewoon niet wie of wat ik moet geloven. In geen van beide landen ben ik ooit geweest, directe bronnen heb ik niet en over een conflict dat zó beladen is, berichten zowel Nederlandse als internationale media misschien niet altijd even objectief.

„Israël is het meest binnenlandse buitenland dat we hebben”, merkte minister Timmermans begin dit jaar op. Iedereen heeft er wel wat over te zeggen. En inderdaad: sinds 8 juli staat mijn Facebookwall vol met Gaza-gerelateerde status-updates.

„Israël voert geen oorlog, Israël moordt”, postte iemand.

„Hoe zou jij slapen?” schreef een ander bij een link naar een documentaire over Israëlische bombardementen.

„Helemaal waar” las ik boven een opiniestuk dat Israël infantiel noemt. Een Correspondent-stuk met de titel ‘Echt homotolerant is Israël niet’ werd gretig gedeeld.

For the record: de meesten van mijn politiek betrokken Facebookvrienden zijn – net als ik – roomblank, wonen in Amsterdam en studeren (of studeerden) aan de universiteit. Een enkeling heeft familie in Israël, of is academisch gespecialiseerd in het Palestijns-Israëlische conflict. Maar de grote meerderheid heeft die landen nog nooit van dichtbij gezien en is wat deze oorlog betreft een huis-, tuin-, en keukenanalist.

En toch: het regent meningen. Tapt iedereen soms uit een voor mij onbekend, superbetrouwbaar informatievat dat objectieve fundering geeft voor dit activistische Facebookgebrom?

Ik denk het niet. En hoe objectief media ook beweren te zijn, blind daarop vertrouwen kun je niet. ‘nrc.next objectief? Laat me niet lachen’, was de titel van een ingezonden brief van vorige week in deze krant – om maar een voorbeeld te noemen. Met vijf overtuigende voorbeelden trok de briefschrijver de onbevangenheid van de Gaza-berichtgeving in twijfel.

Eerst het standpunt, dan de feiten

Niet dat het de Facebookactivisten op mijn wall veel uitmaakt, want voor veel van hen geldt een heel ander principe dan objectiviteit: eerst het standpunt, dan de feiten. Altijd wel iets in je newsfeed te vinden ter meerdere eer en glorie van waar jij vandaag voor staat. En tja, waar in hoogopgeleid linksig Randstedia Israël ooit hip was, is een pro-Palestijns geluid momenteel bon ton.

„Politiek en journalistiek: ze beloven een raam te zijn, maar eigenlijk fungeren ze als spiegel”, schreef mediafilosoof Rob Wijnberg onlangs in De Groene Amsterdammer. „We denken de wereld te aanschouwen, maar zien ondertussen onszelf.” Wijnbergs conclusie: onze samenleving is een ‘narcismemachine’ geworden, waarin nieuws iets is „wat u al vond en nog even instemmend kon rondsturen op sociale media”.

En die analyse lijkt ook in dit geval van toepassing te zijn. We maken onszelf wijs objectief naar het Gaza-conflict te kijken, maar ondertussen kiezen we (al dan niet onbewust) de kant die het best bij ons imago past. Je niet engageren is écht geen optie, en zo is het digitaal verdedigen van Palestina een kwestie van jezelf profileren – bijna zoals de keuze voor een Macbook of fairtrade espressobonen dat is.

De Duitse filosoof Martin Heidegger maakte in 1954 al een beginnetje met wat Rob Wijnberg omschreef. De moderne mens heeft na eeuwen oefenen de werkelijkheid zowel in het echt als in haar hoofd getransformeerd tot hulpbron die haar ter beschikking staat, zo stelde Heidegger. Het ergste vond hij nog dat deze mens ook voor zichzelf als te bewerken grondstof verschijnt; als een kerstboom die versierd moet worden om goed en wel z’n ‘ding’ te kunnen doen.

‘Het ondernemende zelf’, noemde de Franse Michel Foucault deze mens. Dat was in 1979, toen het individualisme en het marktdenken hun vleugels inmiddels volledig hadden uitgeslagen. De moderne mens ziet zichzelf als onderneming, meende hij, en beschouwt haar omgeving als input om een bepaald rendement mee te behalen. Los van het juk van religie, sociale controle en een vast contract kent deze zelfcreatie nauwelijks meer een grens. Bovendien: de leegte die na het verlaten van oude zekerheden achterbleef moet toch ergens mee worden gevuld.

‘Ik’ is een merk geworden

En zo wordt alles aangegrepen om het zelf van een smoel te voorzien. Het is alsof het ‘ik’ een merk is geworden, en de CEO ervan op zoek moet naar unique selling points. En tja, zonder enige andere standaard of richtlijn kijkt de zichzelf vermarktende mens toch al snel naar hoe haar omgeving dat doet. Bekende wegen en gedeelde ankers zijn de traits die zij zich aanmeet.

En zo is pro-Israël zijn in sommige gevallen een onderstutting van het merk met trefwoorden als ‘links’, ‘geëngageerd’, ‘betrokken’ en ‘intellectueel’. Het is gedoseerde rebellie, die jouw unieke persoonlijkheid net dat edgy randje geeft. Het is digitaal salonverzet, met veel tamtam verkondigd, zonder op werkelijke kennis van zaken te berusten.

‘Voor wie de nuance zoekt’ stond op de enorme poster die in het lokaal Nederlands van mijn middelbare school hing. Het was een reclameaffiche van NRC Handelsblad, met een foto van uitgeblazen sigarettenrook, als ware dat symbool voor een lange, diepe gedachtegang. Ik dacht eraan terug tijdens mijn eerste filosofiecollege, over Socrates, de man die liever vragen stelde dan zijn mening te verkondigen. „Ware kennis bestaat erin te weten dat men niets weet”, stelde hij.

Een credo om eens goed af te stoffen in deze tijden van hoogstindividuele opiniekakofonie. Schreeuw over Israël, Palestina en Hamas niet zo van de daken, is de les die ik eruit trek. Zeker niet als Midden-Oosten-leek. Liever radicaal neutraal dan onoverwogen uitgesproken, ter meerdere eer en glorie van het merk ‘ikzelf’.

    • Francisca Wals