Macht van het schoolplein

Illustratie Olivia Ettema

Toen ik over het Nederlands Kampioenschap ‘kuiltje knikkeren’ las, werd ik weer even kind. Dat toernooi is ooit begonnen als grap, maar beleefde afgelopen vrijdag zijn 38ste editie in het Zuid-Hollandse dorp Noordeloos. Bij het bestuderen van de aankondiging viel me ineens een naam van een bepaalde knikker in: chineesje. En daarna nog een: spikkel. En plotseling kletterden de woorden tevoorschijn uit een sinds mijn jeugd gesloten schatkistje. Bonk. Superbonk. Kattenoog.

Knikkernamen zijn madeleines van taal. Marcel Proust had een cakeje nodig om terug te keren naar zijn jeugd; Nederlanders hoeven alleen te bedenken hoe stuiters en knikkers indertijd genoemd werden.

Het blijkt een effect te zijn dat je ook makkelijk bij anderen kunt oproepen. Ik vroeg ernaar op Twitter en de knikkerterminologie stroomde binnen een paar minuten binnen, inclusief tientallen woorden die ik helemaal niet kende. Mensen blijken te hebben geknikkerd met Michael Jacksons en Madonna’s, met snelheidjes en drietjes, met foekserbonken en Duitse bakkers. Websites staan er vol mee en Nicolaas Beets haalde in zijn Camera Obscura (1839) al herinneringen op aan een knikkerwoord: alikas.

Het is een gespecialiseerde vaktaal voor ingewijden, waarschijnlijk het eerste specialistische taalgebruik waar Nederlandse kinderen vertrouwd mee raken, de moeder aller jargons.

Thuis krijg je de eerste jaren van je ouders een algemene omgangstaal aangereikt – uitspraak, zinsbouw, een paar duizend woorden. Op het schoolplein leer je iets veel belangrijkers: dat er geheimtalen bestaan die niemand je liefdevol bijbrengt, maar waarin je moet zijn ingewijd om mee te tellen.

Het belang van het schoolplein voor de taal is ook anderszins onovertroffen. De meeste ingrijpende taalveranderingen gebeuren daar. De Nederlandse r in, pakweg, knikker wordt bijvoorbeeld steeds minder duidelijk uitgesproken, en ik vermoed dat die slijtageslag zich vooral tijdens het speelkwartier afspeelt. Er zijn nog geen mensen die de klank helemaal nooit meer uitspreken, maar hij klinkt steeds minder duidelijk. Bij mensen van vijftig hoor je hem minder dan bij mensen van zeventig, maar meer dan bij mensen van dertig. En bij kinderen van tien is hij nog onduidelijker, al is hij nog niet weg.

Waarom gebeurt zoiets zo geleidelijk? Waarom besluit de ene generatie niet om op zekere dag zo’n medeklinker helemaal niet meer te zeggen? Dat is de macht van het schoolplein. Kinderen leren in de eerste jaren knikker precies zo te zeggen zoals hun ouders dat doen, maar dan komen ze op school en merken dat stoere kinderen de r net wat meer inslikken dan hun moeder deed. Dus passen ze zich aan, en overdrijven daarbij misschien zelfs een beetje. Net als de volgende generatie; en de daarop volgende. Tot er na honderd jaar geen r meer over is.

Nergens zijn mensen gevoeliger voor de wens ‘erbij te horen’ dan op het schoolplein. Nooit passen ze zich angstvalliger aan. En zo ligt de toekomst van de taal in handen van zesjarige knikkeraars. Die deze taal voor de rest van hun leven zullen meeslepen, al zijn ze vergeten wat er toen op het schoolplein is gebeurd. Tot er ineens iemand een luikje opent en de knikkernamen tevoorschijn stuiteren: spokie, keizer, looie det.

    • Marc van Oostendorp