In de ogen van China zijn alle Oeigoeren nu verdacht

Gematigde Oeigoerse denker

Na nieuw geweld in Xinjiang wordt zelfs hoogleraar Tohti beschouwd als een bedreiging.

Ilham Tohti (44), een van de zeer weinige Oeigoerse intellectuelen die China niet is ontvlucht, is de etnische harmonie en de politieke gematigdheid zelve. Toch wordt de hoogleraar economie aan de Etnische Minderheden Universiteit door de Chinese autoriteiten beschouwd als een directe bedreiging voor de eenheid van de Volksrepubliek. Ze hebben hem aangeklaagd wegens separatisme, een vergrijp waar de doodstraf op staat.

Zeven maanden geleden verdween Tohti, die het vliegtuig naar de VS wilde nemen om zijn daar studerende dochter weg te brengen, spoorloos in de krochten van de Chinese staatsveiligheid . Vorige week woensdag werd hij plotseling officieel beschuldigd van „het verspreiden van separatistische gedachten, het aanzetten tot etnische haat en activiteiten voor een onafhankelijk Xinjiang”. Het proces achter gesloten deuren kan ieder moment worden gehouden.

Zijn aanhouding en de op een website gepubliceerde aanklacht hebben in de VS en de Europese Unie tot aanzienlijke verontwaardiging geleid; pogingen van Amerikaanse en Europese diplomaten om Tohti door middel van stille diplomatie vrij te krijgen, liepen op niets uit. Mensenrechten- en schrijversorganisaties hebben vorige week geprotesteerd bij de Chinese autoriteiten en er bij Amerikaanse en Europese overheden op aangedrongen alles te doen om te voorkomen dat Tohti ter dood wordt veroordeeld.

Uit de aanklacht blijkt ook dat het de Oeigoerse econoom kwalijk wordt genomen dat hij veelvuldig met buitenlandse media sprak en frequent de officiële lezingen van vaak bloedige incidenten tussen Oeigoeren en de autoriteiten in twijfel trok, dan wel op belangrijke punten nuanceerde. „Opzettelijke verdraaiing van de feiten en verspreiden van geruchten”, heet dat in het jargon van de Chinese justitie.

Ongetwijfeld zou Tohti een andere lezing hebben gegeven dan die van de autoriteiten over het bloedbad van vorige week in Xinjiang, waarbij volgens de Chinese autoriteiten bijna honderd mensen omkwamen. Hij zou erop gewezen hebben dat de Oeigoeren na de drie recente aanslagen in Beijing, Kunming en Urumqi onder zware druk zijn gezet en dat ook de viering van de ramadan, wettelijk toegestaan, was tegengewerkt. Meer in het algemeen zou hij hebben gewezen op de discriminatie van islamitische Oeigoeren in China, maar vooral in Xinjiang, waar zij met 10 miljoen een kleine meerderheid vormen.

Als voorbeeld gaf hij vorig jaar in een gesprek dat jaarlijks slechts enkelen van zijn tientallen studenten economie passend werk vinden in een van de snelst groeiende economieën van de wereld. Misschien wel het zwaarste verwijt dat hem gemaakt kan worden, is dat hij met feiten en argumenten de partijpropaganda over de etnische harmonie in China en de lippendienst aan de rechtsstaat doorprikte.

De Oeigoerse zelfmoordaanslagen en frequente botsingen waarbij dit jaar al 200 doden zijn gevallen, hebben geleid tot een harde reactie van politie en leger, die daartoe opdracht hebben gekregen van president en partijleider Xi Jinping zelf.

Doodtrappen als een mier

In het huidige anti-Oeigoerse klimaat liggen ook bekende bruggenbouwers als de gematigd islamitische Tohti – koele chardonnay is zijn favoriete drankje – in het vizier. Hij werd, vertelde hij vorig jaar, al jarenlang gevolgd, maar wist zich zoals andere bekende dissidenten, enigszins beschermd door zijn bekendheid in het buitenland. Tohti vertelde ook dat er in zijn collegezaal een speciale camera van de staatsveiligheid was geïnstalleerd en dat ook bij de ingang van zijn appartement in Beijing camera’s waren aangebracht. Regelmatig werd hij bedreigd met teksten als „luister goed, we kunnen je ieder moment als een mier doodtrappen”.

In ons gesprek eind vorig jaar vertelde hij dat er meer dan eens een poging was gedaan om hem te doden: de laatste keer in de zomer van 2013, toen hij en zijn twee jongste kinderen tijdens een autorit opzettelijk werden aangereden door een gepantserde politiebus. Meer dan eens heeft hij overwogen China te verlaten, zoals de meeste Oeigoerse intellectuelen en ondernemers dat hebben gedaan. Onder andere de VS en Duitsland hebben hem asiel aangeboden, maar hij wilde zijn lotgenoten en studenten niet in de steek laten. Tegen The New York Times zei hij zich ervan bewust te zijn dat hij verdoemd was en zeker een keer opgepakt zou worden: „Misschien sturen zij mij naar de hel, maar dat kan mij niet schelen, want in sommige opzichten ben ik daar als Oeigoer al.”