Ik begrijp niet waarom je geen volle zalen trekt

Soms lees ik na een leuk gesprek dingen waarvan ik zeker weet dat ik ze zo nooit gezegd kan hebben, zegt Micha Wertheim tegen zichzelf na een Kamperlam met zure haring, baharat, aubergine, tomaat en zoute citroen.

Illustratie Enkeling

Eigenlijk had hij geen zin in een interview, maar als het gesprek plaats kon vinden in een restaurant van zijn keuze, dan wilde Micha Wertheim wel meewerken. Er was nog een voorwaarde, ik moest niet alleen al zijn voorstelling bijgewoond hebben, maar ook al zijn columns en overige publicaties tot mij hebben genomen. Gelukkig heb ik thuis een boekenplank vol plakboeken met alles wat de afgelopen dertig jaar door en over Wertheim geschreven is. Van zijn eerste publicatie in de schoolkrant tot zijn laatste bijdrage aan Vrij Nederland. Als iemand Wertheim serieus neemt, ben ik het wel.

Het restaurant Librije’s Zusje Amsterdam is gesitueerd in het onlangs geopende Waldorf Astoria aan de Prinsengracht. Ik ben vijf minuten te vroeg voor onze lunchafspraak, maar als ik binnenkom, zie ik in de spiegel dat ook Wertheim net arriveert. Hij draagt een lichte zomerse broek met een vrolijk geruit overhemd. Ik vermoed dat het personeel hem herkent, maar gelukkig zijn die mensen professioneel genoeg om geen handtekening te vragen. Wertheim stelt hen op zijn beurt gerust met zijn warme ogen en charismatische glimlach.

„Ik ben hier niet om jullie te recenseren hoor”, verontschuldig ik mij tegenover de bediening wanneer ik een zwart opschrijfboekje op tafel leg, „dit is voor een interview.”

Kenmerkende bescheidenheid

Dan komt de ober met een groot stuk steen waarop een kleine pitasoufflé met rode biet, haringkuit en viltwier blijkt te liggen. „Ah lekker”, zegt Wertheim. Hij stopt de amuse in zijn mond en sluit zijn ogen.

Ik vertel Wertheim dat ik een groot fan van zijn werk ben, en niet snap waarom hij nog steeds niet overal uitverkochte zalen trekt. Wertheim haalt zijn schouders op. „Roem is betrekkelijk”, zegt hij met de hem kenmerkende bescheidenheid.

Dan komt de ober met een gigantische stronk geolied hout waarop een soort poffertje met makreel en Amsterdams zuur. Als hij het hapje heeft doorgeslikt, vertelt hij dat hij interviews altijd moeilijk vindt omdat alles wat je tegen een journalist zegt meteen zo definitief klinkt. „Tegen de tijd dat het in de krant staat ben ik meestal al van mening veranderd.”

De derde amuse is een krokante wafel van kippenhuid, met kippenlever, zolderspek en rozijnen. Net als Wertheim het wafeltje in zijn mond stopt, komt de gastheer om te vertellen wat er op het lunchmenu staat. De wafel knappert zo dat het onmogelijk is een woord van de gastheer te verstaan. Kauwend en krakend kijken we hoe de ober zijn lippen beweegt.

Er valt een lange stilte die Wertheim opvult door op zijn telefoon te kijken. Dan schrijft hij iets in zijn boekje. Ik lees in een moeilijk te ontcijferen handschrift: ‘Er valt een lange stilte, Wertheim kijkt op zijn telefoon en schrijft iets in zijn boekje.’

Als de ober weg is, informeer ik of Wertheim al een idee heeft waar zijn nieuwe voorstelling over zal gaan?

„Als ik dat wist, was de voorstelling al af?” De artiest schudt zijn hoofd. „Dit is precies waarom ik liever geen interviews geef als mijn voorstelling nog niet af is.”

„Maar als de voorstelling af is, wil je meestal ook geen interviews geven?”, werp ik tegen.

Nu, geïrriteerd: „Als ik zou kunnen vertellen waar een voorstelling over gaat, zou ik de voorstelling niet hoeven opvoeren. Die voorstellingen zijn het antwoord op de vraag waar ze over gaan. Daar heb ik niets aan toe te voegen.”

De mensen in de eetzaal kijken verschikt naar het tafeltje waar wij in ons eentje zitten.

„Maar je hebt wel al een titel”, mompel ik, „Micha Wertheim Voor Zichzelf, wil je misschien vertellen waarom je die gekozen hebt?”

Wertheim: „Je hoort soms mensen praten over autonome kunst. Dat vind ik altijd grappig. Want als je echt iets alleen voor jezelf maakt, val je daar anderen niet mee lastig. Echte autonome kunst is zoiets als masturberen. Dat gegeven leek mij een spannend uitgangspunt. Maar verder weet ik echt nog niet waar ik uit ga komen.”

Een fijne ervaring

Ik wil vragen waarom Wertheims voorstellingen altijd over het maakproces zelf gaan. Of dat metastandpunt niet een zwaktebod is. Door je zo in te dekken, hoef je immers nooit kleur te bekennen. Maar we worden onderbroken door de ober die een oogstrelend bord met ceviche van langoustine voor ons neerzet. In stilte proeven we de combinatie van grapefruit, aardbei, vlierbloesem en zwarte knoflook.

„Is het een fijne ervaring geweest?”, vraagt de ober als hij het bord komt halen.

Micha schrijft het zinnetje meteen op.

„Waarom schrijf je dat op?”

„Ik denk dat die ober bewust niet wil vragen of het heeft gesmaakt, omdat die vraag te vaak gesteld is. Dus hebben ze iets nieuws verzonnen. Dat vind ik ontroerend, omdat het in zekere zin is wat ik ook doe. Enerzijds wil je geen clichés gebruiken, anderzijds wil iedereen toch altijd weer dezelfde vragen stellen.”

Dan wordt het hoofdgerecht gebracht. Rug & nek van Kamperlam, met zure haring, baharat, aubergine, tomaat en zoute citroen.

Als weer een nieuwe ober met een zilveren krabbertje de broodkruimels van het tafelkleed veegt, vraag ik of het niet iets te kort door de bocht is om te stellen dat autonome kunst niet bestaat. Wertheim antwoordt.

„Voorafgaand aan één van mijn eerdere voorstellingen heb ik een paar bezoeken aan een psycholoog gebracht. Toen de voorstelling af was, heb ik hem uitgenodigd. Voor mij was dat programma een antwoord op alle vragen die ik in onze sessies besproken had. Een week later kreeg ik een brief van hem, om mij te bedanken voor de kaartjes.

„Hij schreef dat hij het leuk had gevonden dat mensen moesten lachen, maar dat hij er verder niets van had begrepen. Blijkbaar hadden die psycholoog en ik tijdens onze gesprekken totaal langs elkaar heen gepraat. Datzelfde zou kunnen gelden voor mijn publiek en mij, dat zij heel andere dingen horen dan wat ik ze probeer te vertellen. Sterker nog, misschien geldt dat voor dit gesprek ook wel.”

Goddelijk dessert

Het gesprek komt op Israël, waar we wederzijdse vrienden blijken te hebben. De situatie deprimeert ons zeer.

Maar net als we niet meer weten wat we er nog over moet zeggen staat alweer het tweede dessert op tafel. „Tom kha kai”, vertelt de ober terwijl hij een paar druppels peperolie op het bord laat vallen. „Sidney Schutte, onze chef, heeft de ingrediënten van een klassieke Thaise soep omgewerkt naar een dessert.”

„Kijk”, zegt Wertheim, „zowaar een ironisch gerecht. Zelfs in de keuken lijken ze te snappen dat je soms vanuit een metastandpunt naar iets moet kijken om het opnieuw uit te vinden.” Ironisch of niet, het dessert smaakt goddelijk en overtreft alle voorafgaande gerechten. Na de koffie vraag ik de rekening, maar nog voor ik erbij kan, heeft Wertheim betaald.

„Stuur je me de tekst nog wel even?”, vraagt hij als we naar buiten lopen. „Soms lees ik na een leuk gesprek dingen waarvan ik zeker weet dat ik ze zo nooit gezegd kan hebben.”