Het knettert tussen reiziger en schijver

Reizen is een ongeordend, chaotisch ding, terwijl schrijven juist orde en duiding aanbrengt. Hoe doet de reisschrijver dat? Besprekingen van drie nieuwe reisboeken.

Florence

Het is 1768 als een Engelse heer in Calais het tafzijden gordijn van zijn koetsje dichttrekt, zijn pen in de inkt doopt en een beroemde verhandeling begint over de aard van het reizen. ‘Als het schommelen van dit eenpersoonskoetsje het me tenminste toestaat’.

Die reizende schrijver stelt zich voor als Yorick, en is via Frankrijk op weg naar Italië voor een grand tour. Maar misschien is het ook wel schrijver Laurence Sterne zelf, die nu het alter ego Yorick zijn reis laat maken.

Zo heeft elk reisverhaal een schrijver en een ‘schrijver’. Om de illusie in stand te houden dat die twee samenvallen, moet de schrijver een geloofwaardig ‘web van betekenis’ over zijn reis leggen. Op het moment zelf is de reis immers nog ‘het precieze tegendeel van een verhaal’, noteerde de Britse reisschrijver Jonathan Raban ooit. Reizen is een ‘plotloos, ongeordend, chaotisch ding’, terwijl ‘schrijven juist verbindingen aanbrengt, orde, plot, duiding’. De reis die op papier terechtkomt maken schrijvers pas achteraf, in hun geheugen en hun fantasie.

Reizen als moeizame zelfontplooiing

In een paar nieuwe Nederlandse reisboeken knettert het tussen reiziger en schrijver. Ze maken de lezer deelgenoot van het proces dat van hun reis een verhaal maakt. Bij Auke Hulst blijkt dat af en toe een worsteling; reizen als moeizame zelfontplooiing. De vraag naar wat een reis geslaagd maakt is de motor van vrijwel elk verhaal in Buitenwereld, binnenzee. En de ondertitel van de bundel, De reis als verhaal, het verhaal als reis, kon niet beter.

Hulst (1975) is in Birma, San Francisco, New England en Londen, en tot twee keer toe in Ethiopië en Japan. Sommige zijn nieuw. Sommige verhalen zijn eerder gepubliceerd. Neem zijn reis naar Hawaï om Haruki Murakami te interviewen, die daar gastschrijver is. Het verslag heeft in deze krant gestaan, maar Hulst heeft voor dit boek de journalistieke ballast afgeworpen en is het verhaal opnieuw begonnen.

‘Zoeken naar Haruki M.’ is zo vooral openhartig zoeken naar Auke H. geworden. Zijn vaderloze jeugdjaren in Groningen, zijn angsten en vluchtneigingen, de eerste pogingen schrijver te worden, eerdere reizen naar Japan, de sensatie toen hij zijn eerste boek van Murakami las en dat hem ‘binnenstebuiten keerde’.

Dat in diens universum niet alles hoeft te kloppen schetst Hulst als een soort verlossing; hij ‘liet me zien tot hoever je de literaire werkelijkheid kon oprekken zonder dat het weefsel inscheurde’. Zijn reis naar Honolulu en de ontmoeting met de 64-jarige schrijver is nog slechts een van de strengen in een wondermooie vlecht.

Vroeger durfde Hulst niet te reizen. nu gaat hij liever op reportage dan met vakantie. Zijn verhalen voelen het meest natuurlijk als hij dichtbij zichzelf blijft, het materiaal dat hij eerder verwerkte tot de roman Kinderen van het ruige land. Dan kan hij geestig en licht zijn en sluipt een prettig soort zelfspot binnen. Over hoe hij met zijn onzekerheid en te drukke zieleleven weer eens een Grote Liefde wegjaagt of anderszins niet uitkomt waar hij wil.

In een paar verhalen lijken de reiziger en de schrijver er niet uitgekomen. Dan werkt de ‘plot’ niet. In het verhaal over een reis door de VS gebeurt hoegenaamd niets. Dat is helemaal geen bezwaar; in zijn boek staan genoeg verhalen waar op het oog weinig gebeurt. Maar Hulst lijkt moeizaam op zoek naar diepere gedachten om de stilte te vullen. En als die niet komen, leent hij ze elders, bij Camus, Thoreau, Steinbeck, Calvino. Hulst is er trots op voortdurend door de ogen van anderen te kijken – Rimbaud, Kerouac – omdat ‘referenties een reiservaring kunnen versterken’, maar in zijn beste verhalen is minder juist meer. Hulst moet absoluut doorreizen, het liefst met weinig bepakking.

Hij suggereert meer dan hij aangeeft

Daniël Rovers (1975) speelt een geraffineerd spel met de reis en het schrijven, in De zon is het probleem niet. Rovers, romanschrijver en essayist, is in zijn reisverhalen een minimalist. Even denk je dat hij helemaal niet aan ‘plot’ doet. Dat zijn verhalen neerkomen op een voortkabbelend ‘en-toen-en-toen’, alsof hij zijn aantekeningen voorleest. Maar zo is het niet.

‘Ik keek uit naar de dagen dat ik met mijn notitieschrift onder handbereik de gewoonten en eigenaardigheden ter plaatse kon bestuderen’, schrijft hij in Pristina, hoofdstad van Kosovo, waar hij is voor een reportage over de naoorlogse toestand die nog steeds geen vrede is.

Hij heeft zich laten vertellen over ‘een bruisend nachtleven en een ambitieuze jonge bevolking’ en met ‘zo’n schrift waan je je altijd meer schrijver dan wanneer je thuis zit te ploeteren op de punten en komma’s van een tekst. Sinds mijn aankomst heb ik echter nauwelijks aantekeningen gemaakt.’

Wie gelooft dat? ‘Doggy Daycare in Pristina’ is een sterk verhaal. Maar Rovers’ dead-pan stijl is vooral effectief op de korte baan. In het verhaal ‘Lampedusa’ besteedt hij de eerste vijftig bladzijden aan zijn eigen reis naar dat Italiaanse vluchtelingeneiland, waarin nauwelijks iets lezenswaardigs gebeurt. Misschien is die lange aanloop bedoeld als spiegelbeeld van de omzwervingen van de bootvluchtelingen voor ze op Lampedusa stranden, maar je komt er niet echt achter.

Ook ‘De plukkers’ – een uitgesponnen reportage over een groep appel- en perenplukkers op Zuid-Beveland – is te lang voor de spanningsboog. De zon is het probleem niet – de titel blijkt uit dat verhaal te komen. Het probleem is wel: de regen, die bij de plukkers in de mouwen van hun jas loopt en ze helemaal doorweekt. Ja, dat is vast een probleem. Maar de schrijver suggereert zo meer dan hij teruggeeft. Het koetsje staat op de binnenplaats te schudden, maar de reis wil niet echt beginnen.

Snel heeft een stad geschreven

Anders is dat bij Guido Snel. ‘Ik zal een hele nieuwe stad leren lezen’, zegt hij op de eerste bladzijden van Naar Istanbul. Het is geen reisgids; de paar plattegrondjes en informatieve kaderstukjes had de uitgever beter kunnen weglaten. Snel (1972) wil vóór alles vertellen en doet dat bij vlagen weergaloos.

Vanuit Amsterdam, waar hij schrijft, vertaalt en literatuur doceert, verhuisde hij in 2012 tijdelijk met vrouw en kind naar Istanbul. Daar dompelde hij zich onder en schreef een boek als een caleidoscoop.

Over het weer en de winden, schoenpoetsers, plooibare ambtenaren, boten in de Bosporus, uiteraard. Over grote politiek, maar alleen in strijklicht. Over Dirk Kuyt die bij Fenerbahçe speelt en de vraag of er bij de tientallen Turkse broodsoorten eentje is ‘die zich in een centimeter dikke snede [laat] snijden, met margarine laat besmeren en beleggen met goudse’.

Over zijn vriend, ‘de Istanbulhater’, van wie niet geheel vaststaat of hij echt is of fictie. Die mag fantastisch razen over de teloorgang van de Osmaanse keuken, die is uitgemond in kebab. En over de ‘kletspraatjes van Geert Mak’ over ‘die brug’ – die schreef in 2007 De brug over Istanbul.

Aan het eind schrijft Snel: ‘Als ik in Istanbul niet zoveel geschreven had, wat had ik dan allemaal nog meer kunnen meemaken?’ Gekke vraag. Want het is bijna onvoorstelbaar dat die zeventig verhalen in slechts negen maanden tot stand zijn gekomen. Had hij nóg meer uit zijn verblijf willen persen? Of zitten schrijven en ervaren elkaar dan toch in de weg? Daar lijkt het op.

‘Toen ik mijn pen neerlegde, merkte ik, onthutst, dat de ervaring er als zodanig niet meer was’, schrijft hij nadat hij een losbrekend onweer boven de zee van Marmara en de paniek op de terrassen om het ‘ziedende plenzen’ heeft beschreven. De ervaring was vervangen door de geslaagde beschrijving. ‘De literatuur voedt zich met het echte leven [...] en vernietigt het in een adem door.’ Zijn schrijven is niet meer dan ‘gekrabbel op een oeroude graffitimuur’, dat niets toevoegt. ‘Maar het is of mijn lijfelijke aanwezigheid daar al is vervaagd.’ Dat moge zo zijn, het heeft in elk geval een geweldig boek opgeleverd. Snel heeft een hele nieuwe stad geschreven.