Amusante observaties over Nationale Politie

Als er iemand is in wiens schoenen ik niet wil staan, dan is het in die van Gerard Bouman, hoofd van de Nationale Politie. Anderzijds, er is maar één politiekorps; er is geen concurrent of een beursnotering en niemand is verkiesbaar. Dus uiteindelijk maken ze helemaal in eigen beheer uit hoe goed of hoe matig ze zullen zijn.

Tot vorig jaar waren de 63.000 politiemensen ondergebracht in 26 lokale korpsen. Sindsdien is er genationaliseerd en zijn tien grote regionale eenheden opgericht. Veel publieke aandacht voor deze kolossale reorganisatie is er niet. Terwijl het toch gaat om de vraag hoe snel de telefoon wordt opgenomen als je 112 kiest. Opstelten schreef de Kamer half juni dat de vorming van de Nationale Politie ‘voortvarend wordt aangepakt’, de prestaties ‘op peil’ blijven en de ‘eerste vruchten’ worden geplukt. Hooguit moet dit jaar het ‘realisatiepad’ worden ‘geactualiseerd’. Eind 2017 is er een ‘productiviteitswinst’ van 5.000 personeelsplaatsen. Hoera en niets aan de hand, dus. Zo kennen we de minister. Nu al blij met resultaten die nog moeten komen. Natuurlijk, de ‘bedrijfskritische systemen’ moeten op orde zijn. Er moet voldoende, gekwalificeerd personeel zijn. Hier en daar is ‘verstandig bijstellen’ of ‘herijken’ nodig. Maar de toon is ontspannen. Ach, uitvoeringskwesties.

Nu is ook niet te verwachten dat de minister iets anders zou schrijven. Voor de unplugged versie, dus zonder politieke liftmuziek, kan ik terecht bij de Inspectie Veiligheid, die achter de coulissen kijkt. Uit deze krant begreep ik al dat de meeste leidinggevenden en alle specialisten onzeker over hun toekomst zijn. Iedereen is intern verplicht aan het solliciteren. Er zouden al 10.000 bezwaren tegen afwijzingen bij de bestuursrechter zijn ingediend.

Je hoeft geen organisatiepsycholoog te zijn om te begrijpen dat grootschalig vernieuwen met een staf die niet weet of het mag blijven, niet ideaal is. Dit jaar stelt de Inspectie vast dat de politie in een ‘afwachtende houding’ is terecht gekomen.

De ‘veranderagenda’ staat stil, vooral omdat de personele reorganisatie te traag verloopt.

Daar komen een aantal vrij hilarische observaties bij, die overigens ook verduidelijken hoe nodig deze ‘nationalisatie’ is – en hoe hardnekkig de ‘politiecultuur’. De burger kan inmiddels makkelijk mailen via één site met de politie – maar het ‘schort nog aan goede afhandeling’. Aangifte doen buiten de eigen woonplaats kan, maar is sterk af te raden. De registratiesystemen van de korpsen zijn niet gekoppeld. Een Utrechtenaar die in Rotterdam aangifte doet van zakkenrollen, treft een agent die alles netjes invoert. En zodra de burger weg is, wordt het uitgeprint, in een envelop gedaan en naar Utrecht gestuurd. Alwaar een agent het weer netjes invoert, etc.

Dan de ‘belemmerende cultuurkenmerken’ van de politie. Gebrek aan dienstbaarheid, onwil tot interne samenwerking, mede dankzij ‘hardnekkige grenzen in de eigen organisatie’. En het traditionele verneuken van de baas. Agenten moeten sinds kort na een inbraak binnen twee weken aan de bewoner laten weten hoe het er voor staat. Dat leidt intern tot een ‘fixatie op het zetten van vinkjes’, op het afhandelingsformulier. Die termijn wordt vaak gehaald, onder meer omdat het vinkje ‘op tijd teruggebeld’ soms al bij de aangifte wordt gezet. „Registreren wordt afgestemd op de gewenste resultaten”, schrijft de Inspectie keurig.

Als dat bij de ophelderingspercentages maar niet óók gebeurt, denk je dan. Met aangiften via internet van de eenvoudiger zaken gebeurt weinig. Soms vergeten agenten te kijken wat er in de inbox zit, zodat eventuele opsporingsinformatie niet eens wordt opgemerkt. Eigenlijk is het een heel amusant rapportje.