Voor een pelgrimstocht heb je God niet nodig

Dagenlange wandeltochten naar heilige bestemmingen worden steeds populairder, ook onder jonge, niet-gelovige mensen. Niet om christelijke redenen. „Ze zoeken richting, een doel, een simpel bestaan.”

Wandelaars op weg naar het graf van de heilige Sint Jacob, in Spanje. Foto George Mollering

De weg naar Fátima is niet mooi. Hij voert langs gebarsten asfaltwegen, door verlaten dorpen, ingestorte fabrieken en door saaie velden waar geen einde aan lijkt te komen. In Portugal doet niemand z’n best om het voetgangers naar hun zin te maken. Bij vlagen toont het land dan toch zijn andere gezicht. Dan kijk je ineens uit over glooiende tarwevelden en weides bezaaid met klaprozen, een langgerekt dijkdorpje met cafeetjes waar je heerlijk eet. Het zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen.

Deze weg is niet zomaar een weg. Het is de Caminho de Fátima, de pelgrimstocht die ons van Lissabon langs de Taag en door de bergen 152 kilometer naar het noorden voert. Daar, in Fátima, zou de heilige Maria in 1917 aan drie herderskinderen zijn verschenen. Elk jaar trekken tienduizenden pelgrims ernaartoe. En niet alleen naar Fátima. Ook andere Europese pelgrimsroutes zijn populairder dan ooit. Lourdes, Rome en Assisi ontvangen jaarlijks honderdduizenden pelgrims, met name vijftigplussers, veelal met katholieke achtergrond.

De Camino de Santiago de Compostella in Noord-Spanje trekt een ander publiek. In 1990 meldden 4.918 pelgrims dat ze het eindpunt hadden bereikt; in 2013 was hun aantal gegroeid tot 215.800. Al jaren is bijna de helft jonger dan 35.

Ook opvallend: sinds 2005 is niet meer het geloof de belangrijkste reden om de tocht te lopen, maar noemen de wandelaars vooral cultuur, zingeving en sportieve redenen als motivatie. In de afgelopen vier jaar verschenen er over de Camino een Nederlandse documentaireserie, een Amerikaanse speelfilm en vele reisboeken van jonge niet-gelovigen over hun avonturen onderweg.

De ene voet voor de andere zetten

‘Wandelen is geluk tussen haakjes’, schrijft de Parijse hoogleraar Frédéric Gros in zijn boek Wandelen, een filosofische gids. Een flinke tocht voert je weg van de waan van de dag, van verplichtingen en de verleiding iemand te zijn, een naam en een geschiedenis te hebben. Tijdens het wandelen hoef je alleen maar je ene voet voor de andere te zetten. ‘Dan is vrijheid een hap brood, en slok koud water, een weids landschap.’

De pelgrimstocht is volgens Gros een geval apart. Kerkvaders zagen de peregrinatio als metafoor voor het leven op aarde: het ronddolen in een noodonderkomen op doorreis naar de ultieme, hemelse bestemming.

Dat die ultieme bestemming op aarde zo lelijk kan zijn als Fátima, met zijn christenkitsch en bustoeristen, is niet erg. ‘Een te schitterend einddoel hult de weg ernaartoe in duisternis.’ En juist die weg is zo belangrijk in de christelijke traditie: de inspanning werkt zuiverend, spoelt de zonden weg, breekt de hoogmoed.

Maar waarom nemen zoveel jonge, niet-gelovige mensen de moeite om wekenlang de grilligheid van het weer en hun pijnlijke gewrichten te trotseren, om ten slotte bij een katholiek heiligdom te arriveren?

Volgens de Tilburgse hoogleraar religiewetenschappen Paul Post heeft dat te maken met een herwaardering van christelijke tradities, die hun religieuze lading (deels) verloren hebben. ‘Het rituele landschap moet opnieuw ingevuld worden’, schrijft hij in Profielen van Pelgrimage.

Mensen zijn op zoek naar houvast en troost. Ze verlangen ernaar bij een groep te horen die zijn tradities koestert. Vandaar ook dat de Camino nu zo’n veelbesproken onderwerp is in lifestyletijdschriften, denkt Post.

Traditie? Niets mee te maken

Ankie Szlapka, eigenaar van Pied à Terre, Europa’s grootste reisboekhandel in Amsterdam, gelooft niet zo in die rituele herijking. „Ik krijg hier sinds een paar jaar zó veel jonge mensen over de vloer die willen pelgrimeren, en echt niet omdat ze nou zo nodig tradities nieuw leven in willen blazen.” Waarom dan wel? „Ze zoeken richting, een doel, een simpel en authentiek bestaan.”

Jonge mensen zijn de laatste jaren in een fuik van het moderne leven terechtgekomen, denkt Szlapka. Door opdringerige sociale media, pushende ouders en targets op het werk. „En dan is het heerlijk om in de buitenlucht op avontuur te zijn, alles glijdt van je af.” Haar oudste dochter liep vorig jaar met man en kind een tocht in Oost-Europa, vertelt ze. De grootste zorg was of het ezeltje dat ze bij zich hadden genoeg te eten had.

Maar wat moeten al die jonge avonturiers op routes met een christelijke voorgeschiedenis? „Tja, dat zijn nou eenmaal de geplaveide wegen. Ook avonturiers hebben soms last van gemakzucht.”

    • Francisca Wals