‘Van wat we nu verdienen, leven we de rest van het jaar’

Georgia McCullough (23) en Daniël van der Ploeg (20) geven surfles in Zandvoort. Ze wonen samen in een caravan en sparen om in de winter te kunnen reizen. „Douchen kost hier maar vijftig cent.”

Daniël van der Ploeg: „Ik denk dat ik later huisman word, dan kan ik de hele dag surfen.” Foto David Galjaard

‘Kom maar bij mij wonen’

Daniël: „Mijn vader is een windsurfer. Ik kom uit Haarlem, als het stormde, nam hij me mee naar het strand. Zo ben ik begonnen op mijn veertiende. Eerst bodyboarden, dan leer je de timing van de golf goed aanvoelen. Dat is heel belangrijk, vooral in Nederland, want de golven zijn hier niet zo clean.”

Georgia: „Ik werkte hiervoor in Spanje. De baas van de surfschool in Zandvoort zag me tijdens zijn vakantie lesgeven op het strand en bood me een baan aan in Nederland. Goede kans om een keer ergens anders te gaan wonen, dacht ik.”

Daniël: „We willen straks gaan reizen naar Panama. Maar eerst moeten we geld verdienen.”

Georgia: „Daarom hebben we twee baantjes. Na de surfles werken we bij de strandtent hiernaast. Ik breng de drankjes, hij staat achter de bar.”

Daniël: „Ik wil reizen en iets leren. En nu liever niet uit boeken, ik ben net klaar met mijn studie.”

Georgia: „Afgelopen winter gaf ik les in Mexico. Ik had al veel gereisd binnen Europa, maar ik ben toch teruggekomen naar Nederland omdat...”

Daniël: „We hier moesten werken.”

Georgia: „Nou, ik ben teruggekomen omdat jij hier woonde. Het meisje dat de planning van de surfschool doet, probeerde ons al weken te koppelen.”

Daniël: „De eerste paar keer moesten we samen lesgeven. Ik liet haar alles zien. Een keer gingen we uit met een groep in Haarlem en toen... bam!

Georgia: „Afgelopen jaar is mijn tent weggewaaid in een storm. Ik zou naar Engeland teruggaan omdat ik geen plek meer had om te wonen. Toen zei hij: ‘Kom bij mij’.”

Daniël: „Mijn moeder was dolblij. Ze zei: ‘Yes, eindelijk heb je een reden om thuis te blijven’. Ik was altijd op pad. Dit jaar vonden we dat we iets nodig hadden voor onszelf. Vorig jaar woonden we bij mijn moeder, toen hadden we geen geld om wat te huren. Ik heb op allerlei campingsites gezocht, antikraak bekeken. Niks. Gelukkig kende mijn vader iemand die nog een stacaravan voor ons had.”

Georgia: „Alles zit erin: slaapkamer, zitkamer, badkamer, eetkamer, bed. De caravan is twaalf bij vier, bijna net zo groot als een eenkamerappartement. Het is tien keer meer dan wat we in Haarlem voor driehonderd euro per maand hadden kunnen krijgen.”

Daniël: „We wonen nu twee weken samen. We waren er allebei wel aan toe. Bij mijn moeder moesten we altijd wel wat doen in huis: schoonmaken, opruimen. Hier leven we op het strand. Schoonmaken komt morgen wel.”

Georgia: „Toen moesten we ook 45 minuten fietsen naar ons werk.”

Daniël: „Het is nu maar tien minuten skateboarden. Alleen, wij hebben geen skateboard, wij moeten sparen. Iedereen heeft een skateboard behalve wij. Het is 15, soms 25 minuten fietsen.”

‘4 keer met de bakfiets op en neer’

Daniël: „We hebben alles op de camping: een snackbar, zwembad, douches. Onze boiler is kapot dus we douchen buiten. Dat kost maar vijftig cent, wassen kost een euro.”

Georgia: „We hebben alleen nog geen was gedaan. We moesten eerst alles verhuizen.”

Daniël: „We zijn vier keer heen en weer gefietst met de bakfiets. Georgia heeft allemaal mooie spullen meegenomen uit Engeland.”

Georgia: „Ik heb hele coole geverfde schedels van klei, uit Mexico.”

Daniël: „We doen alles samen in huis.”

Georgia: „Ik ga niet wassen en koken voor hem, hoor.”

Daniël: „Nou, gisteren maakte ik de fiets en toen was jij aan het koken. Ik denk dat ik later huisman word, dan kan ik de hele dag surfen.”

Georgia: „Dream on.”

‘Reizen tot het geld op is’

Georgia: „Als het een goede dag is, beginnen we tegelijkertijd. Deze week geef ik les aan volwassenen, hij begint met de kinderen.”

Daniël: „We kunnen onszelf inroosteren, het liefst zo vaak mogelijk natuurlijk. Er is altijd wat te doen. De planken op het strand leggen, materiaal repareren, kleedkamers verven. Soms zijn we om vier uur klaar, dan eten we eerst hier op de surfschool en beginnen dan in de strandtent.”

Georgia: „Ik werk tot elf, twaalf uur ’s nachts en in het weekend wel eens tot één uur. Het hangt van het weer af.”

Daniël: „We werken van juni tot september.”

Georgia: „Samen verdienen we deze zomer zo’n 8.000 euro.”

Daniël: „Of, als we alle dagen werken, 10.000 euro. Daarvan leven we de rest van het jaar. We reizen tot ons geld op is. Wat we daarna doen, weet ik niet. Ik ben 20, ik heb nog niet zoveel vastomlijnde plannen in mijn hoofd.”

Georgia: „De laatste keer dat ik reisde, leefde ik van 500 euro per maand.”

Daniël: „We geven niet veel uit. We krijgen fooi, ons eten wordt betaald. De caravan kost 150 euro per persoon.”

Georgia: „Zo leeft iedereen hier een beetje. Iedereen wil zuinig doen.”

Daniël: „Je kunt voor 20 euro naar een feest in Woodstock ’69, of op het strand zitten met vrienden en biertjes.”

Georgia: „Veel vrienden nemen nu een baan, omdat ze bang zijn dat ze straks zonder zitten. Ik verdien liever weinig zodat ik kan sparen om straks te genieten, dan dat ik een saaie kantoorbaan heb om een duur appartement te bekostigen in hartje Londen.”

    • Rolinde Hoorntje