Op diplomatiek vlak heeft Den Haag veel bereikt in Oekraïne

Een week is verstreken sinds het kabinet de Tweede Kamer meldde „vastbesloten” te zijn om de slachtoffers van de vliegramp in Oekraïne naar Nederland te brengen. Deze repatriëringsmissie, lieten de betrokken ministers afgelopen zondag weten, zou „maximaal drie weken” duren. „Er is geen tijd te verliezen”, voegden ze eraan toe. Maar pas vrijdag, zes dagen na het formele kabinetsbesluit, konden zeventig Australische en Nederlandse experts aan de slag op de rampplek in het oosten van Oekraïne, waar vlucht MH17 donderdag 17 juli, zestien dagen eerder, werd neergehaald – met 298 doden tot gevolg.

Veel stoffelijke overschotten waren al ter identificatie naar Nederland, naar Hilversum, overgebracht. Maar lang niet alle – hoeveel is niet bekend. Kostbare tijd is verloren gegaan doordat afgelopen week het de onderzoekers lange tijd onmogelijk werd gemaakt de rampplek te bezoeken. Of omdat het daar te gevaarlijk was, door gevechten tussen het Oekraïense leger en de separatisten, of omdat de route ernaartoe om dezelfde redenen te onveilig was.

Op diplomatiek gebied had Nederland, in samenwerking met Australië en andere partners, veel bereikt. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties nam een resolutie aan waarin staten en anderen – lees de separatisten – werden opgeroepen volledig mee te werken aan onafhankelijk internationaal onderzoek en te zorgen voor onbeperkte en veilige toegang tot de plaats van de ramp. Met Oekraïne sloot Nederland een Memorandum of Understanding. Daarin werd afgesproken dat Oekraïne, dat volgens internationale regels het onderzoek zou moeten verrichten, de verantwoordelijkheid hiervoor aan Nederland overdroeg. Met hulp van de OVSE, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, bereikte Nederland ook een akkoord met de separatisten. Met de regering van Oekraïne sloot Nederland een verdrag, afgelopen donderdag door het parlement van dat land bekrachtigd, dat het mogelijk maakt de onderzoekers met wapens te beveiligen. Dat verdrag is voorgelegd aan de VN-Veiligheidsraad, onder meer met als doel dat ook Rusland er formeel kennis van neemt.

Tot zover het diplomatieke spoor, waarvoor minister Timmermans (Buitenlandse Zaken) en premier Rutte de nodige lof kregen toegezwaaid. Maar afgelopen week moesten Timmermans en met hem de Tweede Kamer, in een ingelaste vergadering, vaststellen dat de praktijk een stuk weerbarstiger is. En dat lag dan in dit geval niet eens aan Rusland, onderstreepte de minister, hoewel dat land nauwe banden met de separatisten onderhoudt. Het was de schuld van de strijdende partijen, inclusief Oekraïne. Voor hen zijn heel andere belangen urgenter dan een ongestoord onderzoek en de overbrenging van stoffelijke overschotten naar een ander land. Onbegrijpelijk is dat niet: Oekraïne vecht voor verdere handhaving van zijn grenzen, nadat het de Krim al uit handen heeft moeten geven. Dat is deze voormalige Sovjetrepubliek moeilijk te verwijten.

Hoe onbevredigend en treurig stemmend ook, er moet rekening mee worden gehouden dat het onderzoek en de identificaties niet voor 100 procent uitsluitsel zullen geven welke slachtoffers in Oekraïne zijn achtergebleven en welke naar Nederland zijn overgebracht. Weliswaar liet het kabinet woensdag weten dat de maximale termijn van drie weken toch niet zo maximaal hoeft te zijn; na afloop ervan wordt bekeken of verlenging ervan mogelijk en zinvol is. Daarvoor is voortgezette en effectief uitvoerbare medewerking van de strijdende partijen nodig. Maar ook spelen hier de „biologische redenen” een rol, die minister Timmermans op basis van advies van forensische experts aanvoerde. Oftewel de beperkte tijd waarin forensisch onderzoek nog deugdelijk kan worden uitgevoerd. De klok tikt voort.

Langs een omweg is het onderzoekers vrijdag toch gelukt de rampplek te bereiken en er hun moeilijke werk te doen. De afgelopen periode heeft geleerd dat er geen garantie is dat ze ook de komende dagen en weken ongestoord en zonder onverantwoorde risico’s hun speurtocht naar menselijke resten kunnen voortzetten. Hier geldt dat de nabestaanden vanzelfsprekend recht hebben op maximale inspanningen om te bereiken dat de slachtoffers naar hun eigen land worden teruggebracht. Maar ook dat daaraan geen mensenlevens moeten worden opgeofferd. Hard maar waar.