Leg dat je dochter maar eens uit

Bram Vermeulen in Kaapstad

Foto ANP

Mijn dochter komt in tranen thuis. Het is zo’n onophoudelijk gesnik dat het even duurt voor ik haar heb ontfutseld wat er loos is. Het gaat om Oliver, de zeven jaar oude zoon van een beroemde, blanke anti-apartheidsactivist in dit land.

Oliver heeft de klas verteld hoe zijn vader zijn rechterhand en onderarm is kwijtgeraakt ver voor de tijd dat Oliver werd geboren. Het was de tijd van de apartheid toen zijn vader in ballingschap in Mozambique verbleef, waarvandaan hij het ANC van Mandela hielp. De geheime dienst van het Zuid-Afrikaanse regime plaatste een bom in zijn auto om hem voor dat verraad te straffen.

Boem.

Ik ken Olivers vader. Aan het begin van mijn dochters schooldag zie ik hem weleens bij de poort staan en gluur ik altijd even naar die ontbrekende rechterarm. Die bungelende hemdsmouw boezemt ontzag in. Hij draagt hem met trots. Een arm die er niet meer is, vertelt een krachtig verhaal. Hier staat een held uit een tijd die geen van ons heeft meegemaakt. Nu rollen de woorden uit mijn dochters mond. „Oliver zegt dat de Hollanders zijn vaders hand hebben opgeblazen.” Ik word stil. Zo heb ik het nog niet bekeken. Mijn dochter kijkt me aan met de blik: zeg dat het niet waar is. „De hele klas keek naar mij, toen hij dat zei.”

Dit wordt lastig. Ik heb haar nota bene zelf door Kaapstad gesleept om te laten zien dat we bepaald niet de eerste Hollanders zijn in deze stad. Dáár staat het standbeeld van Jan van Riebeeck, geboren in Culemborg. En dáár bouwde hij in 1652 zijn fort van de Goede Hoop. En dáár legde hij de tuin aan voor de door scheurbuik geplaagde zeemannen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. „De VOC-mentaliteit”, slikte ik nog net in, maar mijn dochters trots over haar afkomst groeide zichtbaar. De keerzijde van dat Hollandse avontuur, daar hebben we het nog wel een keer over. Dacht ik.

„Oliver heeft een punt”, begin ik. Niet het antwoord waar mijn dochter op zit te wachten. Ik moet denken aan mijn eigen woede op mijn ouders toen, nota bene, de pastoor naar mijn lagere school toog om het nieuws te brengen dat Sinterklaas niet bestond. De hele klas draaide zich om naar mij, omdat ik nog diezelfde dag het bestaan van de Goedheiligman met vuur had verdedigd tegenover een inmiddels ongelovige klas. Ik was trouw aan het woord van mijn ouders, die stug hun Sinterklaasleugen bleven verkondigen.

„De Afrikaners worden ook wel Hollanders genoemd”, probeer ik, „hoewel ook Vlamingen, Fransen en Duitsers zich uiteindelijk Afrikaners noemden omdat ze het zo naar hun zin hadden in Afrika.” Dat begrijpt ze. „En ja, die Afrikaners waren niet zo aardig tegen zwarte mensen als Mandela en de mensen die hem hielpen. Dus als je het zo ziet, dan zou je kunnen zeggen dat de hand van Olivers vader door de schuld van de Hollanders is afgerukt.” Weer die blik.

Ik denk weer terug aan mijn schooltijd. Nooit een woord over de schuld van de Hollanders in de geschiedenisles. Nooit hadden we het over Jan van Riebeeck. Maarten Tromp, ja die wel. De zeeheld. In dit land kom ik nu al uitdagingen tegen die mijn vader nooit gekend heeft.

„Alle witte mensen werden beter van apartheid”, troost ik mijn dochter. „Niet alleen de Hollanders. Ook de Engelsen. Ook de mensen die het er niet mee eens waren. Dus daarmee zijn alle blanken schuldig aan de opgeblazen hand van Olivers vader.”

Er verschijnt opluchting op haar gezicht. Haar klas zit vol met kinderen van spierwitte ouders, zoals het gaat in dit verdeelde land. Een klas vol schuldigen, dat verlicht de pijn. „Dus Olivers vader is zelf ook schuldig?” Ik knik. Zelfs hij. „De enige die er niks aan kan doen is zijn arm.”

    • Bram Vermeulen