Jullie hebben mij alles afgenomen

Drie twintigers, geadopteerd uit Brazilië, staan deze zomer voor de rechter. Wat maakt dat een adoptiekind soms ontspoort? Oswaldo Vriend: „Bij mij had het te maken met één grote vraag: waarom ben ik afgestaan?”

Tekst Andreas Kouwenhoven en Wubby Luyendijk Foto’s Olivier Middendorp

Alle kinderen in het dorp zijn wit. Behalve hij. Ze kijken hem na, hij voelt het. Ze moeten hem niet. Waarom is hij hier? Hij is te vondeling gelegd. Tenminste, dat is wat zijn adoptieouders hebben verteld. Hij wil het niet geloven. Welke moeder doet haar kind zomaar weg? Het is vast de schuld van zijn vader die niet voor zijn moeder kon zorgen, waardoor zij geen andere keus had. Ja, zo moet het zijn gegaan. Zijn moeder kon er niks aan doen. Zijn vader haat hij.

Oswaldo Vriend was een boos kind. Toen hij twee jaar was werd hij geadopteerd uit Colombia. Tien jaar later liep hij weg bij zijn adoptiegezin. Weer tien jaar later zat hij vast, opgesloten in een tbs-kliniek.

Nu is de 35-jarige Oswaldo weer vrij. Terugkijkend zegt hij dat zijn ontsporing te maken had met één grote vraag waar hij al een leven lang mee rondloopt: „Waarom ben ik afgestaan?”

Deze week is er een regiezitting in de strafzaak tegen twee geadopteerde broers uit Brazilië. Admilson en Marcos R. worden verdacht van drie roofmoorden in Drenthe. Ze zouden een bejaard echtpaar in hun woning hebben gedood en een wandelaar in een bos, om aan geld te komen. Tegelijk loopt een strafzaak tegen de uit Brazilië geadopteerde Antonio Marcos van der P. die met zijn vriendin Enise vastzit voor gewelddadige overvallen en ontvoering. Recent kreeg nog een andere geadopteerde Braziliaan zeven jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging opgelegd, voor doodslag op een invalide.

Er komen jaarlijks vierhonderd geadopteerde kinderen naar Nederland. Zij hebben vaker dan andere kinderen last van psychische problemen en vertonen vaker agressief gedrag, blijkt uit onderzoek. Ook begaan zij volgens één van die studies anderhalf keer vaker een misdrijf. Wat maakt dat deze kinderen ontsporen? En doet de overheid genoeg om ze op te vangen?

Als kind moet Oswaldo Vriend weinig hebben van zijn nieuwe ouders. Niet dat ze niet aardig voor hem zijn. Ze knuffelen hem, praten met hem, maar hij voelt geen liefde voor ze. Hij wil bij zijn eígen moeder zijn, in Colombia. „Als vondeling was ik misschien doodgegaan, maar liever dood in Colombia dan zestig worden in dit land.”

Als hij zeven jaar is, begint Oswaldo alles over zijn geboorteland te verzamelen. Krantenartikelen over het Colombiaanse voetbalteam, over drugskoning Pablo Escobar en zijn imperium. Oswaldo knipt het allemaal uit en plakt het in een map.

Thuis wordt hij opstandiger en agressiever. Hij vecht met kinderen uit het dorp, met zijn adoptiebroer, met zijn adoptievader. Daarna diefstallen. Brandjes stichten. Op zijn elfde loopt hij weg van huis. Hij neemt de trein naar Amsterdam en vindt onderdak bij een prostituee op de Wallen. Oswaldo wordt drugsdealer.

Het gezin weet niet wat het met hem aanmoet. Riagg komt erbij, Jeugdzorg, de gezinsvoogd, maar Oswaldo trekt zich van niemand wat aan. Ze snappen hem toch niet, denkt hij. De hulpverleners die met hem komen praten, zijn zelf niet geadopteerd. Hoe weten zij hoe het is om afgestaan te zijn? Hij krijgt steeds meer een hekel aan de maatschappij. „Ik dacht: jullie hebben mij alles afgenomen. Mijn moeder, mijn broertjes, mijn zusjes. Ik vond dat ik het recht had alles terug te pakken.”

Land weg, lucht weg, alles weg

Zoals Oswaldo Vriend zich voelde, zo voelen meer geadopteerden zich, vertelt emeritus hoogleraar René Hoksbergen. „Een deel loopt rond met innerlijke woede”, zegt hij. Hij schreef het standaardwerk Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld en adviseert adoptiegezinnen als er problemen zijn. Volgens Hoksbergen gaat het met de meerderheid van de geadopteerden goed. Tegelijk kampen adoptiekinderen wel vaker met gedragsproblemen dan andere kinderen. „Van je moeder gescheiden worden is verschrikkelijk, psychisch gebeurt er dan iets heel ergs”, zegt Hoksbergen. „Je zit negen maanden in de buik van je moeder, en weg is het. Land weg, lucht weg, alles weg. Natuurlijk heeft dat effect.” Klachten die volgens Hoksbergen veel voorkomen zijn minderwaardigheidsgevoelens, depressie en agressie.

Verschillende studies (zie inzet) laten zien dat adoptiekinderen uit het buitenland vaker kampen met gedragsproblemen en agressie dan niet-geadopteerden. De kans is groot dat de zwangerschap in het land van herkomst niet vlekkeloos is verlopen of dat kinderen zijn verwaarloosd en/of mishandeld, thuis en in tehuizen. Maar problemen komen ook voort uit de adoptie zélf. Kinderen krijgen rond hun zevende door dat zij familie hebben verloren bij de adoptie. „Dit kan gevoelens van verlies en verdriet oproepen”, staat in een adoptiestudie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum. Adoptiekinderen hebben in hun basisschooltijd „vaak de wens om in het gezin geboren te zijn in plaats van geadopteerd te zijn”, aldus het rapport. Ook willen zij er „hetzelfde uitzien in plaats van op te vallen door een ander uiterlijk en andere huidskleur”.

Oswaldo wordt als puber opgenomen in de criminele straatcultuur. Hij handelt in „het witte spul van Escobar”. De cocaïne vervoert hij in zijn rugzakje naar cafés. Soms wordt hij gepakt, en zit hij een tijdje vast. Elke keer als hij vrijkomt, probeert Oswaldo een nieuwe start te maken, zijn geld volgens de regels te verdienen. Dan neemt hij een baantje bij een autobandenbedrijf. Maar daar krijgt hij ruzie en wordt ontslagen. Gooit hij zijn huis weer vol wietplanten. Is hij terug bij af. „Hoe vaker het niet lukt”, zegt Oswaldo, „hoe meer schijt je krijgt.”

Rond zijn twintigste heeft hij een lucratieve business opgebouwd. Hij staat bekend als een crimineel waar je zaken mee kunt doen. Oswaldo ziet hoe er steeds meer mensen om hem heen staan in de nachtclub. Hoe hij pubermeisjes kan paaien met briefjes van honderd, om een nieuwe telefoon te kopen. En als hij hun vertrouwen heeft gewonnen, vraagt hij of ze op school drugs voor hem willen verkopen.

Op zijn 24ste komt er een abrupt einde aan zijn leven als drugscrimineel. Op een avond komt zijn groep een andere groep tegen. Er wordt gescholden en gedreigd. „Ik moest iets terugdoen”, zegt Oswaldo. „Als je niks doet, weet iedereen dat ze niet bang van je hoeven te zijn.” Er ontstaat een gevecht waarbij hij met een mes op een man insteekt. Hij wordt veroordeeld voor poging tot doodslag, openlijke geweldpleging en drugshandel. Oswaldo zit negeneneenhalf jaar vast in een tbs-kliniek.

Daar voert hij gesprekken met psychiaters – allemaal vrouwen. Met mannen praat hij niet, want Oswaldo geeft zijn biologische vader nog steeds de schuld van zijn adoptie. Tijdens de sessies komt Oswaldo erachter dat zijn adoptie hem in de weg zit. Dat hij die gebruikt om zijn criminele daden te rechtvaardigen. Dat hij zich van binnen heel verdrietig voelt. „Op een gegeven moment heb ik over mijn pijn verteld aan mijn therapeut. Dat luchtte op. Toen ben ik een boom van mezelf gaan tekenen, met aan iedere tak een eigenschap. Mijn gekwetste kant, mijn liefdevolle kant, mijn pijnlijke kant. Toen de tekening af was, zei mijn therapeut: je hebt nu voor het eerst écht naar jezelf durven kijken.”

‘Ik voelde me eenzaam’

Adoptie speelt nu in meerdere strafzaken een rol. Ook een Braziliaan die recentelijk voor doodslag is veroordeeld, zegt dat hij ontspoorde door een problematische adoptie. De man, die gevangen zit en niet met naam genoemd wil worden, laat via zijn advocaat Jan-Jesse Lieftink weten dat hij zich in Nederland nooit heeft kunnen hechten. „Ik kon niet verkroppen dat ik door mijn moeder in Brazilië in de steek was gelaten”, zegt hij. „Ik wilde met mijn echte moeder in contact komen, maar mijn adoptiemoeder hield dat tegen. Op mijn dertiende ben ik vertrokken. Ik voelde me eenzaam.”

In het psychologisch rapport over hem staat dat zijn „weinig gunstig verlopen adoptie” mede heeft geleid tot een „zeer verstoorde hechting”. De psychiaters achten hem verminderd toerekeningsvatbaar als hij een invalide neerschiet tijdens een ruzie. „Betrokkene voelt zich zo snel bedreigd dat hij weinig anders kan dan terugvallen op bekende patronen die de overleving dienen.”

Zou dat ook gelden voor Antonio Marcos van der P., die in september voor de rechtbank moet verschijnen voor gewelddadige berovingen? Zeker is dat ook zijn adoptie, naar het Friese Harkema, problematisch verliep. Jaren voordat Van der P. op rooftocht ging, schakelden zijn adoptieouders Jeugdzorg in, omdat zij bezorgd waren over zijn gedrag, vertelt een bron rondom de familie. Ook in de strafzaak tegen Admilson en Marcos R., die terechtstaan voor drie moorden, zou de adoptie hebben meegespeeld. De broers hadden een hechte band met hun adoptiemoeder totdat zij overleed aan borstkanker.

„Adoptieouders mogen twee dingen nooit doen: scheiden en doodgaan”, zegt professor Hoksbergen. „Het opnieuw kwijtraken van een ouder is nog veel traumatischer dan één keer. Het betekent opnieuw een verlating.”

Nauwelijks begeleiding

Zo voelde het ook voor Oswaldo Vriend, toen zijn adoptieouders tijdens een ruzie riepen dat hij het huis uit moest. „Zo’n opmerking blijft hangen. Wanneer zij roepen: ‘ga weg’, ga je in je hoofd terug naar je adoptie, en denk je: zie je wel, bij het minste of geringste hoeven jullie me niet meer.”

Adoptieouders zijn zich vaak niet bewust van deze gevoeligheden, zegt Hoksbergen. Zij worden nauwelijks begeleid bij het opvoeden van hun adoptiekind. Vóórdat het kind in een gezin wordt geplaatst, worden ouders uitgebreid gescreend en voorgelicht, maar daarna is er amper meer bemoeienis. Inspectie Jeugdzorg stelde in 2011 al vast dat de nazorg voor adoptiegezinnen onvoldoende is. Uit een rapport van dezelfde inspectie in 2013 blijkt dat er weinig is veranderd. Nog steeds worden problemen in adoptiegezinnen ‘niet tijdig’ gezien, omdat een structurele vorm van nazorg ‘ontbreekt’.

„Adoptieouders modderen heel erg aan om de juiste hulp te krijgen”, zegt ook Lyda Groot van de Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek Adoptie (LOGA). Bij deze vereniging zijn 160 adoptieouders aangesloten die vaak geen hulp kunnen vinden voor hun kinderen. Volgens Groot is er bij hulpverleners te weinig kennis over adoptieproblemen. „Hulpverleners willen kinderen vaak in hokjes stoppen. Ze stellen de diagnose ADHD of autisme vast en behandelen het kind daarnaar. Ze krijgen een stempel en daar moeten ze het mee doen. Maar naar het achterliggende probleem – een hechtingsstoornis als gevolg van adoptie – wordt vaak niet gekeken.” Ook wordt door hulpverleners soms ten onrechte het adoptiegezin aangewezen als oorzaak van de verstoorde verhoudingen, zegt Groot.

Het ministerie van Volksgezondheid werkt inmiddels aan een voorstel om de nazorg voor adoptiegezinnen te verbeteren. Het plan moet na de zomer gereed zijn en voorziet in een betere samenwerking tussen instanties die zich bezighouden met adoptie. Bovendien komt er een handleiding voor professionals die te maken hebben met geadopteerden.

Oswaldo is blij dat de kennis hierover vergroot wordt. Voor hem is het niet meer nodig, zegt hij. Hij coacht nu andere probleemjongeren via zijn eigen bureau Never lose hope. En met zijn adoptieouders groeit een nieuwe band. Laatst gingen ze uit eten. Oswaldo hield een speech. Aan het eind begon zijn adoptievader te huilen. Voor het eerst had zijn zoon tegen hem gezegd dat hij van hem houdt.