‘Ik ben een laffe opportunist, een wegkijker’

In stille bewondering luistert de Belgische ondernemer Johan Vriens een avond lang naar de verhalen van de schrijver A.L. Snijders. Tegen middernacht blijken ze meer met elkaar gemeen te hebben dan ze dachten. „Laatst kwam ik bij toeval mijn zuster tegen. Ik herkende haar niet eens.”

Tekst Jannetje Koelewijn en Wubby Luyendijk, foto’s David van Dam

A.L. Snijders (76) was voordat hij zkv (zeer korte verhalen)-schrijver werd leraar Nederlands. Een van ons heeft nog les van hem gehad op het gymnasium in Deventer.

U introduceerde uzelf als anarchist en atheïst.

Lachend: „Ja, ja.”

U zette uw been tegen de bovendorpel van de deur van het klaslokaal. „O ja. Ja, dat kon ik toen nog. Later gaf ik les op de politieschool en daar vertelde ik dat ik acrobaat was geweest. Het was niet iets om trots op te zijn, hoor. Een klein bovenlichaam met heel lange benen, in wezen was het een gebrek.”

U bereidde nooit uw lessen voor… „Nee.”

maar we hingen aan uw lippen. „Ordeproblemen heb ik nooit gehad.”

U vertelde over Nescio en L.H. Wiener. „Lodewijk Wiener, ja. Die vocht met iedereen, behalve met mij.”

We zitten in de vroege avondzon, we gaan zo eten. A.L. Snijders – zijn echte naam is Peter Müller – is met zijn vrouw naar Duin & Kruidberg gekomen, ze ligt boven op bed. Johan Vriens is onderweg, hij heeft bij Antwerpen in de file gestaan.

„Nog even over dat been”, zegt A.L. Snijders. Hij begint aan een zkv over een collega in Deventer die de verschrikkelijkste eisen aan zijn leerlingen stelde. Als ze niet wisten hoe ze ‘cafeetje’ spelden hoorden ze volgens hem niet op het gymnasium thuis. Toen kwamen de mondelinge examens. Een jongen, goed in alle vakken, komt het lokaal binnen en de collega wijst: „Meneer Müller is de gecommitteerde, ken je hem?”

De jongen: „Nee, maar ik heb wel van hem gehoord. Hij kan met zijn been bij de bovenste deurpost.”

„Aha”, zegt Peter Müller. „Als jij slaagt bij mijn collega, en dat lijkt me een hele toer, dan doe ik het voor je.”

Het wordt een zes min en Peter Müller legt zijn been tegen de bovendorpel. Daarna vraagt hij aan de jongen, klein en gedrongen, of die het ook kan. De jongen probeert het en valt keihard op zijn rug.

A.L. Snijders: „Ik kreeg een visioen van een dwarslaesie, Justitie erbij, wat dit voor een soort lesgeven was, en de collega die me zeker in de steek zou laten. Gelukkig stond die jongen uit zichzelf weer op. Jaren later kom ik hem tegen in het Deventer Ziekenhuis…”

We houden ons hart vast.

„…en hij roept: meneer Müller! Ik heb zoveel leerlingen gehad, dus ik herken hem niet meteen. Meneer Müller, ik ben die jongen die toen…”

Volgt een typische zkv-draai.

„Ik zeg: je bent hoop ik wel arts geworden?” Ironische glimlach. „Een arts staat hoger in de maatschappelijke hiërarchie dan een leraar. Voor artsen heb ik…”

In de verte zien we Johan Vriens aankomen.

„…diep respect.” Hij staat op om Vriens (58) de hand te schudden.

Linnen broek, linnen overhemd. Aan zijn arm een mand met voor ieder van ons een cadeautje, in linnen gewikkeld en dichtgebonden met touw. Er zit speculoos en chocola in. A.L. Snijders leest de tekst voor die op het bijgevoegde kaartje staat. „Even stilstaan en bezield verdergaan. Hm. Komt dit uit Bever?”

Vriens, zachte stem: „Uit Brussel.”

A.L. Snijders: „Aha, Brussel. Nou, dank je wel.”

Het was zijn idee om Vriens uit te nodigen voor dit zomeravondgesprek. Een poosje geleden heeft hij bij Vriens opgetreden in diens eigenhandig gerestaureerde kloostertje in het dorp Bever, op de grens van het Pajottenland en de Vlaamse Ardennen. Bed-and-breakfast, retraiteoord, podium voor intieme muziek-, literatuur- en poëziefestivals.

A.L. Snijders: „Y en ik waren zeer onder de indruk van de schoonheid en de eenvoud van alles.” Y is A.L. Snijders’ vrouw.

Vriens: „Dank je wel.”

Dan staat A.L. Snijders op om Y te halen. Even later loopt hij achter haar rolstoel door het gras, zoekend hoe hij op het terras kan komen waar we zullen eten. Y heeft achttien jaar geleden longkanker gehad. De behandeling heeft haar lichaam nogal aangetast.

De amuses worden geserveerd in een doos. Vriens vindt dat onbegrijpelijk. Wat een kitsch. Dat vindt A.L. Snijders weer onbegrijpelijk. Kitsch? Hij kijkt naar de doos alsof hij de clou van een grap gemist heeft. Hij hoort wel de absurditeit in wat de ober zegt: „Het voorgerecht komt hierna.”

„Dat is een heel goed zinnetje.”

De ober, onzeker lachend: „Niet erg logisch.”

„Maar mooi!”

Vriens vertelt dat hij bezig is Rosario – zo heet zijn kloostertje – uit te breiden met een klein hotel en restaurant, Surplace, waar alleen voedsel uit de buurt geserveerd wordt. Op de wanden van de kamers staan al gekalligrafeerde gedichten. Hij vertelt over componist Arvo Pärt die er logeerde en over Bach, hoe mooi de cellosuites in de kloosterkapel klinken en dat Mendelssohn…

A.L. Snijders: „Doet de overheid eigenlijk iets aan jullie, in de zin van ondersteuning? Ik heb het idee dat de culturele afbraak in Nederland erger is dan in België.”

Vriens wil antwoorden, maar A.L. Snijders praat door. „In Nederland bestaat De Gids niet eens meer, alleen als aanhangsel bij De Groene Amsterdammer. Moet je je voorstellen, opgericht in 1837, door Potgieter en Robidé van der Aa” – hij herhaalt met zichtbaar plezier de naam Robidé van der Aa – „en dat wordt dan door Wilders’ invloed afgebroken. Terwijl in België iemand, een professor geloof ik, een studie over mij doet en die gaat hij in november publiceren in de Dietsche Warande en Belfort. Dat bestaat nog wel. Naar aanleiding daarvan heb ik de theorie dat de cultuur in België minder hard wordt afgebroken dan bij ons. Is dat waar?”

Vriens: „Nee.”

A.L. Snijders: „Nee?”

Vriens: „Nee. In België is men dat allemaal ook van plan.”

A.L. Snijders: „O.” Waarna hij een gedicht van Elsschot (een Vlaming) begint voor te dragen. „Jongen, met je wankel hoofd / aan den beul vooruit beloofd / toen je daar je lot verbeidde / stond ik wenend aan je zijde.”

Het gaat over Marinus van der Lubbe, die in 1933 de Rijksdag in brand zette. Ons ontgaat waarom het nu ter zake doet, tot A.L. Snijders bij de voorlaatste strofe komt. Die gaat over Nederland. „Laat het stikken in zijn centen, / in zijn kaas en in zijn krenten / in zijn helden als daar zijn:…”

Dan weet hij het niet meer. Hij kijkt naar Y, die normaal zijn Google is, maar het nu ook even niet weet.

A.L. Snijders: „…als daar zijn: humhum, De Ruyter en Piet Hein. Fantastisch gedicht. De minachting voor Hollanders is nooit beter onder woorden gebracht. Nooit werden ze beter te kakken gezet.” Opeens aangedaan: „Bij feilloze dichtregels krijg ik bijna dezelfde emotie als bij muziek. Poëzie komt dan op dezelfde hoogte als… Wat was nou die laatste zin? Humhum, De Ruyter en…”

U treedt vaak samen met musici op.

A.L. Snijders: „Ja.”

Vriens, het hoofd gebogen, knikt. „Ook in Rosario. Met Marcel Worms, de pianist.”

A.L. Snijders: „Woord en muziek, als je die bij elkaar doet, is het voor een boerenlul als ik al gauw goed. Muziek is de grootste van alle kunsten. Dat is een cliché, maar ik merk het als ik naar een film kijk: muziek stuurt je emotie via de kortste route de ene of de andere kant op. Muziek kan me laten janken. Dat doe ik niet, want ik ben opgevoed met het Krol-principe.”

Krol-principe?

„Gerrit Krol, de schrijver. Mannen janken niet.”

We vragen Vriens wat hij ervan vindt.

„Van mannen die schreien?”

Of muziek de grootste van alle kunsten is.

Vriens: „Aldous Huxley zei dat muziek na stilte het dichtst bij God komt.” Dan: „Voor mij werkte het heel goed dat Peter zijn zkv’s voorlas met een pianist erbij. Het bracht rust. Muziek maakt dat je kunt rusten en de woorden beter hoort.” Hij proeft aandachtig van het in de mond oplosbare zakje met peper, gepofte rijst en gebrande noten en gaat dan verder. „Je vraagt je af wat de zkv’s zo speciaal maakt, je leest ze nog een keer en dan zie je: weinig woorden, maar zo goed gekozen. Kale taal en toch: er gebeurt iets. De verbeelding wordt aan het werk gezet, net als bij muziek. Dan heb je ook ruimte om zelf…”

A.L. Snijders vindt het wel genoeg zo.

Hij leunt naar achteren en zegt: „Een mevrouw die bij jullie werkt vroeg per e-mail of ik deel wil nemen aan een avond over de stilte in Leuven. Daar ben ik wel een beetje angstig voor. Dat is toch wel een paar streepjes cultureler dan ik ben.”

Vriens kijkt verbaasd en zwijgt.

Wij vragen A.L. Snijders wat hij bedoelt.

„Nou begeef ik me op glad ijs, maar ik bedoel dat ik ook een ruwe kant heb, een duistere kant. Het is een klein beetje een schokkende gebeurtenis die ik jullie nu ga verklappen…” Hij kijkt naar Y. „Hoe heet die man van het postkantoor ook al weer?”

Y: „Postkantoor?”

Hij kijkt nu naar ons. „Jullie kennen hem ook, het is de grootste vuilbek uit de moderne literaire geschiedenis, geboren in Duitsland. Kom…”

Y: „Bukowski.”

„Die ja!”

De lievelingsschrijver van uw jongste dochter, zeggen wij. Dat staat in een van zijn zkv-bundels.

„Ook wel mijn lievelingsschrijver, hoor. Postkantoor is een prachtig boek, seks en drank… Maar waar ik heen wil: ik had altijd een heel goede band met mijn vader. Toen ik nog op school zat, en later toen ik studeerde, snapte ik niets van jongens om me heen die zich tegen hun vader verzetten. Dat had ik niet. Maar één keer schrok ik wel van zijn reactie. Hij lag in het ziekenhuis, en ik had hem een boekje van Bukowski gegeven. Hij vond het weerzinwekkend. En dat zei hij ook tegen me. Weerzinwekkend. Vanaf dat moment ben ik me gaan realiseren dat ik die smeerlapperij ook in me heb. Muziek van Arvo Pärt en zo, dat heel etherische, die kant heb ik ook. Maar de gore kant van het leven, die gaat niet aan mij voorbij.”

U hebt een zeer etherische gast uitgenodigd.

„Dat wist ik dus niet.”

Echt niet?

„Hoe had ik dat moeten weten?”

Zo gesoigneerd, zo welgemanierd, dat zie je toch meteen?

Vriens komt ertussen. „Ik houd ook van Bukowski.”

A.L. Snijders lacht.

Vriens: „Al is hij grofgebekt, hij is een estheet.”

„Zo zie je maar weer.”

Vriens: „Er is geen licht zonder schaduw.”

„Nee, maar kun je je voorstellen dat mijn vader het te erg vond?”

Vriens ontwijkt de vraag. „Ik las een boekje van een necrofiel waarin hij zijn relatie met verschillende lijken beschrijft en hoe hij het gaat doen – heel vreemd en ver van mijn belevingswereld, maar schitterend beschreven. Vuiligheid en bruutheid kan schitterende kunst opleveren.”

Maar u kijkt ernaar, en A.L. Snijders bedoelt dat hij het zelf ook is, een smeerlap.

„Ho, hé, ho”, roept A.L. Snijders. „Wacht even. Dat weet ik niet, hoor. Of ik ook een smeerlap bén.”

In elk geval ziet u er heel wat minder netjes uit.

„Dan wie?”

Dan Johan Vriens.

Hij kijkt naar hem alsof hij hem voor het eerst ziet.

Uw wenkbrauwen, heeft u er wel eens aan gedacht om ze bij te knippen?

„Nee!”, zegt Y. „Van mij moeten ze blijven.”

A.L. Snijders: „Ik wil ze elke dag afknippen.”

Y: „Dat is je zoveelste leugen vanavond.”

Hij lacht gevleid. Dan wendt hij zich weer tot Vriens. „Esthetisch ben je dus mijn meerdere, zeggen zij.” Hij wijst naar ons. „Nou ja, daar ben ik ’t wel mee eens. Maar Johan, zou jij Bukowski zelf ontdekt kunnen hebben? Of moeten anderen dat voor je doen en begrijp je dan dat die donkere kant van het leven ook bestaat.”

Vriens: „Ik heb die donkere kant ook in me. En daar ben ik niet altijd blij mee.”

A.L. Snijders: „Aha. Welke?”

Vriens begint aan een lang en gefluisterd antwoord waarin we woorden als ‘dingen die je doet’ en ‘alleen de angst is van jezelf’ opvangen. Dan: „Ik had een slechte band met mijn ouders. Ik ben weggegaan toen ik 18 was en heb ze nooit meer teruggezien. Mijn oudste zus is ook weggegaan. De overlijdensbrief van mijn ouders, daar stonden onze namen niet op.”

A.L. Snijders’ mond valt open.

Vriens: „Ze woonden in Congo, daar ben ik geboren en heb ik tot mijn tiende gewoond, en nu kan ik wel begrijpen hoe getraumatiseerd ze waren. Mijn vader was onderwijzer, mijn moeder verpleegster, ze gingen er naartoe als idealisten, en dan kom je terecht in een opstand waarin zwangere vrouwen worden opengehaald met een machete.”

A.L. Snijders: „O.”

Vriens: „Nu zal ik iets vreemds vertellen, iets heel toevalligs. Een Nederlandse architect verbleef bij mij in Rosario, we kregen het over muziek en dat hij bij de Dogon in Mali was geweest, en opeens begint zijn vrouw te schreien. Ik dacht: heb ik iets verkeerd gezegd? Maar nee, ze vraagt of ik een zus heb die Veerle heet. Wat blijkt? Die vrouw heeft piano gespeeld voor mijn moeder, het uur voordat ze stierf. Mijn ouders hadden haar geld gegeven om haar pianostudie te kunnen voltooien. Ze had hen wel eens horen vertellen over Johan en Veerle, maar ze wist totaal niet dat ik diezelfde Johan was.”

Ze zal geen aardig beeld van u hebben gehad.

„Nee.”

Waarom wilde u uw ouders nooit meer zien?

Geen antwoord. In plaats daarvan vertelt hij dat ze na hun terugkeer uit Congo een pension waren begonnen, in Antwerpen, en dat daar vooral Joden woonden die de oorlog hadden overleefd. „Een pension vol Elsschot-verhalen.”

A.L. Snijders: „Villa des Roses.”

Vriens: „Rosario is ook een plek vol verhalen.” Na een pauze: „Toen we terugkwamen in België werden we als paria’s ontvangen. Men dacht dat wij rijke kolonialen waren. Op school werd ik in elkaar geslagen, ze dachten dat ik Nederlander was. In Congo had ik geen Antwerps dialect leren spreken.”

Hij steekt een zorgvuldig afgesneden stukje vis in zijn mond en zwijgt.

A.L. Snijders: „Dat gaat ver, je ouders nooit meer zien.”

Vriens knikt. Er valt een lange stilte, die wij onderbreken door tegen A.L. Snijders te zeggen dat hij in zijn jeugd veel gevochten heeft.

„O ja? Ik geloof van niet, hoor.”

U schrijft daar wel over. U lag eens met een gescheurde meniscus in het ziekenhuis.

„O ja, dat had een neef me aangedaan, op het Spinoza Lyceum. Maar daarvoor zat ik op de Willemsparkschool en daar gebeurden dat soort dingen niet.”

Een keurige school in Amsterdam-Zuid.

„Ik ben met een gouden lepel in mijn mond geboren. Nu ik erover nadenk: ik heb wel een keer brillenjood tegen een jongen geroepen. Er was een vechtpartij gaande, hij had een bril op en ik had gehoord dat je zo iemand brillenjood kon noemen. Hij maakte zich los uit de vijandelijke rijen en sloeg me geweldig op mijn sodemieter. Ik geloof niet dat ik dit verhaal eerder verteld heb. Ken jij het, Y?”

Y: „Nee, je houdt het al vijftig jaar voor me verborgen.”

A.L. Snijders lacht, gevleid.

U was een pester?

„Ja. Het eigenaardige is dat ik me er niet van bewust was. Het leek me niet zo erg wat ik deed. Op een keer, ik kom uit school, loopt er een man op me af en die grijpt me vast. Blijkt het de vader van een jongen die ik pestte. Hij schreeuwen: als ik het nog één keer deed, zou hij me op een verschrikkelijke manier mishandelen.”

En toen?

„Toen ben ik ermee opgehouden. En jij, Johan, wat deed jij als ze je pestten? Vocht je terug?”

Vriens schudt nee. „Ze waren met te veel.”

Johan Vriens vertelt dat hij op zijn zestiende van school ging en meubelmaker werd. Later opende hij een café in Antwerpen waar alleen klassieke muziek te beluisteren viel, Pavane heette het. Hij verkocht het toen het te populair werd. In groepen van tien of twintig kwamen de mensen bij hem binnen, ze schoven met de tafels, ze gooiden hun jassen over de stoelen, ze praatten te hard. Zoveel lompheid, dat verdroeg hij niet.

Hij begon een kleine keten van biologische bakkerijen. Daar hield hij mee op toen een grote bakkerij uit Nederland alle artisanales opkocht en er concessies aan de kwaliteit van het brood moesten worden gedaan.

A.L. Snijders knikt begripvol. „ De maatschappij wordt steeds grimmiger, in de zin van georganiseerder, maar er blijven altijd uitgangen voor mensen die zich er niets van aantrekken. ”

Zelf verhuisde hij op zijn drieëndertigste van de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam met Y en vijf kinderen naar een afgelegen boerderij in de Achterhoek, waar hij zich zo weinig mogelijk met de buren en de boeren bemoeit. Hij is, zeggen we, niet het type van de conformist.

„O, jawel hoor”, zegt hij. „En om dat te illustreren zal ik jullie een anekdote vertellen. Een uitspraak die ik altijd heel mooi heb gevonden is ‘niemands meester, niemands knecht’, die hield ik graag voor aan mijn kinderen. Nou was mijn jongste dochter nogal rebels, in de zin dat ze zich nooit hield aan wat we hadden afgesproken. Op een dag kom ik thuis, staat er op een buitenmuur in grote gele letters NIEMANDS MEESTER, NIEMANDS KNECHT geschilderd. Heeft zij gedaan. Ik zeg: dat moet weg. Zij zegt: waarom dan? Ze begreep het niet. Nu weet ik even niet hoe het is afgelopen. Y, weet jij dat?”

Y: „Ze heeft ze weggehaald.”

„O ja. Ze heeft het weggehaald.”

Wat wilt u ermee zeggen?

„Dat ik wel meningen heb, maar er geen consequenties aan verbind. Ik ben niet zo als Johan. Dat is een idealist. Hij heeft principes en hij leeft ernaar.”

Voor u wel woorden, geen daden.

Tevreden: „Precies.”

We zeggen dat we er niets van geloven. „Toch is het zo. Ik ben een laffe opportunist, een wegkijker. En dat is helemaal niet zo gemakkelijk, hoor. Want dat zit je dan toch dwars.”

Dat je denkt: hoe zou ik in de oorlog zijn geweest.

„Ja, ja. Een van de grootste missers in mijn leven is dat ik in een gezelschap van linkse mensen, waar ik eigenlijk toe behoor, eens heb gezegd dat ik, als ik in Weimar was geboren en iets ouder was geweest, waarschijnlijk ook met gepoetste laarzen op het station had gestaan. Dat viel heel erg verkeerd.”

Vriens zit ademloos te luisteren. Wij vragen aan A.L. Snijders waarom hij het deed.

„Om te verduidelijken dat de mens zwak is en dat ideologie verneukeratief kan zijn. Je karakter is veel belangrijker dan wat je je hebt voorgenomen.”

En dat u de enige in dat gezelschap was die daar eerlijk over durfde te zijn?

„Ja.”

Het is ook een beetje koket.

„Ja, en dat aspect staat me niet aan, maar als je dat weglaat… De Duitsers hebben er een fantastisch woord voor: Spätgeburt. Achteraf is het altijd gemakkelijk praten over hoe het had gemoeten. We hebben een ontzettende neiging tot categoriseren om maar grip te krijgen op de chaos die ons omringt. Maar het blijft…”

Een chaos.

„Een chaos, ja.”

Vriens luistert nog steeds ademloos. Dan draagt A.L. Snijders een gedicht van Martinus Nijhoff voor, de tweede strofe uit het sonnet De Troubadour. „Hij heeft des nachts op een rivier gevaren, / Hij zag het zonlicht dat de straten kleurde – / En wist dat hij niet leefde, maar gebeurde, / Dat daden machtloos als seizoenen waren.” Daarna: „Nu weet ik opeens die regel van Elsschot weer. … helden als daar zijn: / Tromp, De Ruyter en Piet Hein.”

Hij lacht alsof hij een prijs heeft gewonnen.

Dat gedicht van Nijhoff, wat wilt u daarmee zeggen?

„Dat hij niet leefde, maar gebeurde – die zin, daar ben ik het volkomen mee eens.”

Hij vertelt over zijn grootvader, die zich als eerste losmaakte uit een milieu van knechten en baas werd. A.L. Snijders’ vader was directeur van een machinehandel. „Hij ging alleen maar met VVD’ers om, notarissen en artsen en zo, en de bazen van Heineken en De Telegraaf, maar zelf bleef hij op de PvdA stemmen. Hij zei: je moet tegen je belangen in stemmen. Dat heeft altijd grote indruk op me gemaakt, en ook op die mannen. Die zeiden: hij staat onder invloed van zijn zoon.”

Was dat zo?

„Enigszins wel, ja. Het was wederzijdse opvoeding. Twee mannen die elkaar opvoedden. Toen hij Bukowski zo afwees was dat voor mij een enorme breuk.”

Hoe oud was u toen?

„Behoorlijk oud. In de zestig. Vriendschap tussen vader en zoon heeft iets eigenaardigs, vinden jullie niet? Het wordt bijna tot de natuur gerekend dat zoons hun vader willen vermoorden.” Hij wendt zich tot Johan Vriens. „Heb je dat niet als een gemis ervaren, geen vader om te vermoorden?” Hij wacht het antwoord niet af. Hij vraagt of Vriens zelf zoons heeft.

Vriens: „Twee, ze zijn 26 en 27.”

A.L. Snijders: „Heb je een vriendschappelijke relatie met hen?”

Vriens: „Nee.”

A.L. Snijders: „Nee?”

Vriens: „Nee. Ze keren zich van mij af. L’histoire se repète. Ik ben geen goede vader geweest, maar ik kan er niets meer aan veranderen. Ze waren 13 en 14 toen ik Rosario kocht. Ik had geen televisie en geen geld, ze kregen geen eigen kamer. Wat moesten ze bij mij?”

Er valt een stilte.

„Ik heb ook nog een dochtertje van 7. Voor haar heb ik wel een eigen kamer gemaakt.”

Er wordt hoender gereserveerd, daarbij rillettes van ganzenlever. „Hoender”, zegt A.L. Snijders, „een prachtig woord.”

Vriens vertelt over Dille & Kamille, waar hij veertien jaar gewerkt heeft.

„Als?” vraagt A.L. Snijders.

„Lid van het concepting team.”

„Aha. Concepting team. En wat voor winkel is dat, Dille & Kamille?”

Vriens: „Mooie en duurzame spullen voor huis, tuin en keuken.”

„Je bent een marxistische purist, maar ik vergeef het je omdat je zo’n mooie keuken hebt. Die grote ruimte en die tafel erin, en die dichtregel van Neeltje Maria Min aan de wand, Voor wie ik liefheb, wil ik heten… Ik was een keer in Bergen uitgenodigd voor een etentje waar zij ook bijzat. Als je zoals ik pas tegen je dood tot de cultuur toetreedt, dan ken je die mensen alleen van hun werk, en opeens zit je bij ze aan tafel. Het is beetje alsof je je hele leven in God gelooft en aan het eind komt Jezus bij je aan tafel zitten.”

Vriens, het hoofd gebogen: „Dat gevoel heb ik nu ook.”

Na het eten vertelt A.L. Snijders over de dood van zijn vader. „Een gebarsten lichaamsslagader, ter hoogte van zijn navel. Het la atste jaar van zijn leven woonde hij in Friesland, dicht bij mijn zuster. Stervend werd hij naar een christelijk ziekenhuis gebracht, hij zei zeven keer godverdomme. Toen kreeg mijn vader een lesje christelijke ethiek van de verpleegster. Vloeken werd niet geaccepteerd. Mijn zuster die ook een atheïst is maar zij is een strijdbare calvinist terwijl ik een soort lachende katholieke anarchist ben – mijn zuster zei toen: mijn vader vloekt wanneer hij wil. Ik was gebrouilleerd met haar, en nog steeds, maar deze ingreep vond ik heel goed.”

Hij lacht en herhaalt met zichtbaar plezier: „Mijn vader vloekt wanneer hij wil.”

Wij vragen waarom ze gebrouilleerd zijn.

„O, ja, nou, zij vindt mij geen principieel mens. En zij heeft enorm veel principes. Laatst kwam ik haar bij toeval tegen in Amsterdam, met haar man. Ik herkende haar niet eens, en mijn zwager al helemaal niet. Zij herkenden mij, ze kwamen op me af. Of eigenlijk kwamen ze op Y af, Y is een veel vertrouwenwekkender persoon dan ik, en toen kwam ik er nog even bij. We zeiden eigenlijk niks tegen elkaar.”

Y: „Jawel hoor. Ze begon over de Balthasar Floriszstraat, waar je vader had gewoond als kind.”

A.L. Snijders: „O ja. Mijn vader speelde viool, maar dat vond mijn grootvader niet goed. Die sloeg die viool kapot en daarna heeft mijn vader nooit meer gespeeld. Dat verhaal hoorde ik van mijn vaders broer, oom Gerrit, toen die 99 was. Hun moeder was naar Amerika vertrokken. Ze zag het niet meer zitten met haar man. Dat was ook zo’n sombere atheïstische calvinist.”

Haar zoons liet ze achter?

„Ja. Ze is één keer teruggeweest, toen ik 15 was. Ze had een dochter die op Doris Day leek, een echte Coca-Colaschoonheid. Ik was meteen verliefd op haar en daar voelde ik me heel schuldig over.”

Vriens zegt: „Dat breken met de familie, dat is bij jou dus ook gebeurd.”

A.L. Snijders: „Ja. Jullie moeten niet denken dat het bij ons een idylle was, hoor. Maar met mijn vader had ik dus een heel goede band.”

Vriens knikt.

A.L. Snijders: „De liefde voor muziek, die heb ik van hem. ’s Nachts luisterde hij naar Bruckner en Mahler. ’s Woensdags ging hij naar het Concertgebouw. Muziek was alles voor hem.”

De volgende ochtend bij het ontbijt zegt Johan Vriens tegen ons dat hij A.L. Snijders graag als leraar had gehad. „Hij is de meester die ik had willen hebben.”

A.L. Snijders en Y komen wat later binnen. „Ik was om half zes al op, hoor”, zegt hij. Hij heeft Toergenjev zitten lezen.