Heeft ‘stoelen’ niet ook gewoon een meervoud?

Wim Daniëls (59) schreef bijna honderd boeken, waarvan de meeste over het Nederlands. Een taal die hij tot zijn vijftiende nooit sprak, want hij werd grootgebracht in het Peellands dialect. „Ollieklonje bleek eau-de-cologne te zijn.”

Tekst Brigit Kooijman Foto Andreas Terlaak

Boerenvuur

„Ik ben opgegroeid in Aarle-Rixtel, een Noord-Brabants dorp onder de rook van Helmond. Een behoorlijk paradijsje, vond ik zelf. We waren altijd buiten aan het spelen, voetballen vooral, achter de school was een groot voetbalveld. En we trokken erop uit, de natuur in. Je had korenvelden, bossen, een moerasgebiedje. Er woonden boeren in het dorp. Bij Sjaak Smits, zijn boerderij stond honderd meter bij ons vandaan, ging ik altijd aardappelen halen. De andere kant uit woonden Betje en Marinus van Leeuwen, bij wie ik eieren kocht. Frans Raijmakers kwam elke morgen voorbij met paard en kar, hij had zijn land achter ons huis. Daar maakte hij boerenvuur. Weet je wat dat is? Je armen kruiselings tot achter op je rug slaan om warm te worden. Mooie uitdrukking hè: boerenvuur maken.”

Nedschroef

„Al vroeg was me duidelijk dat wij tot de ‘gewone mensen’ behoorden. Mijn vader werkte bij schroefboutenfabriek Nedschroef in Helmond. Hij was galvaniseur, dompelde bouten en moeren onder in een zoutzuurbad. Gruwelijk zwaar en ongezond werk, maar toch had hij er geen hekel aan. Hij was er in zekere zin trots op. Niemand durfde in zijn hok te komen, vanwege de gevaarlijke giftige dampen. De fabriekslucht die hij bij zich had verdween nooit, hoe goed hij zich ook waste. Op zijn dertigste waren zijn tanden al helemaal zwart geworden van de zoutzuurdampen, ik heb mijn vader alleen met kunstgebit gekend. De fabriek misbruikte mijn vader, vond ik, want hij had het zwaarste werk voor het laagste salaris. Om bij te verdienen bracht hij de radiogids rond, en ging hij met de groenteboer langs de deuren. Dat deed hij óók voor de gezelligheid, hij was een vrolijke man die van buurten hield. Bij ons thuis was het de zoete inval. Iedereen viel binnen om te buurten, te kaarten of koffie te drinken. En met het sinterklaasfeest in het dorp was mijn vader sinterklaas.”

Romme

„Op vakantie gingen we niet, en ik kwam als kind zelden het dorp uit. Eén keer per jaar met de stichting Herwonnen Levenskracht – ontstaan uit de katholieke vakbeweging – naar de speeltuin in Elsendorp. Tot mijn vijftiende sprak ik uitsluitend Peellands. Een vaatdoek heette bij ons ’n schottelslet, paardenbloemen waren ertschallen, eau de cologne noemden we ollieklonje. Het is een taal die verdwijnt, net als alle dialecten. Toen mijn moeder bij de nieuwe melkboer ‘tweie flesse romme’ bestelde en vervolgens hoorde: ‘Alsjeblieft, Bertha, twee flessen melk,’ was dat natuurlijk een teken aan de wand. Ze stapte daarna zelf ook maar over op ‘melk’. Wel jammer, want romme smaakt lekkerder. Taal is ook emotie. Aan de andere kant: dialecten bestaan bij de gratie van grenzen, en die vervagen nu eenmaal. En daar zijn we over het algemeen niet rouwig om. Het dialect hoort steeds minder bij deze tijd. Mijn eigen kinderen heb ik ook niet meer in het dialect opgevoed.”

Hullie

„Het is een groot misverstand dat kinderen die dialect spreken een taalachterstand zouden hebben. Dialecten zijn veel rijker dan het Algemeen Nederlands. Zo kent het Peellands zo’n honderd verschillende klanken, het Nederlands maar een goede veertig. Het is dus beslist niet zo dat ik een achterstand moest inlopen toen ik halverwege de middelbare school Algemeen Nederlands ging spreken, integendeel: ik moest dingen prijsgeven. Zo voel ik het tenminste. De standaardtaal is een slap aftreksel, in de zeventiende eeuw geconstrueerd uit de toenemende behoefte aan een algemene schrijf- en spreektaal. Natuurlijk kon ik soms niet op een woord komen. Tijdens een mondeling eindexamen aardrijkskunde had ik het over ‘hullie’, en hoe de leraar ook aandrong, ik had op dat moment geen idee hoe ik dat in het Nederlands moest zeggen. En ik vergis me ook nu nog weleens, dan zeg ik tijdens een voordracht ‘krek’ in plaats van ‘net’ of ‘dè’ in plaats van ‘dat’. Maar dat vind ik zelf allerminst een bezwaar.”

Mammoetwet

„Na de basisschool in Aarle-Rixtel ging ik naar de Henricusmulo in Helmond. De ambachtsschool of rechtstreeks naar de Nedschroef was logischer geweest, maar omdat ik graag uit boeken wilde leren, mocht ik naar de mulo. De Mammoetwet uit 1968, die voor mij precies op het juiste moment kwam, opende vervolgens de weg naar de havo, en vandaar naar het hbo en de universiteit. Anders was mijn leven waarschijnlijk iets anders gelopen. Op de mulo zag ik mijn boekentas echt als een soort goudkist, thuis hadden we geen boeken. Ooit donderde die boekentas in de Zuid-Willemsvaart toen hij van mijn bagagedrager afschoot terwijl ik op weg naar school de loopbrug overging. Dat was een drama, ook omdat er liefdesbrieven in zaten van Marie-Louise.”

Beer Burlot

„Ik had een paar heel goede leraren, die geweldig konden vertellen. Door hun verhalen ontdekte ik hoe fenomenaal taal is. Later op het Carolus Borromeus College kreeg ik een docent Nederlands die veel voorlas uit de boeken van Anton Koolhaas. Die verhalen wilde ik zelf ook graag lezen, dus ging ik naar de bibliotheek in Helmond. Die is heel belangrijk voor mij geweest, die bibliotheek. Ik denk dat er niemand is die daar méér boeken geleend heeft dan ik. Ik trok Een gat in het plafond uit de kast, sloeg het open en las de beginzin van het verhaal ‘Kou’: ‘Aangenomen dat alles goed is geregeld, dan ben ik de laatste tijd tamelijk nijdig, dacht de beer Burlot.’ Ik was verpletterd door die zin. Hij zit nog altijd in mijn geheugen gegrift. Ik zag meteen: die zin klopt niet. Maar dat kón blijkbaar, een verhaal beginnen met een onlogische zin. In taal is alles mogelijk, concludeerde ik.”

Masker

„Intussen weet ik dat de taal toch vaak tekortschiet – ‘als ik liefheb is dat poëzie, als ik het opschrijf een poging daartoe’ heeft schrijver Wim Gijsen ooit treffend gezegd – maar het is het enige wat we hebben om te leren snappen hoe de wereld in elkaar zit. Een gedicht van Hans Andreus luidt: ‘Ik ben benieuwd naar,/ maar ook bang voor,/ het meervoud van bijvoorbeeld/ stoelen.’ Wij denken dat er naast enkelvoud en meervoud niets bestaat, maar is dat wel zo? Ik ontdekte, ook door mijn dialect, dat taal een maskerade is. Elk woord heeft een masker op, dat je eraf kunt halen. Achter wat je ziet, schuilt een heel andere werkelijkheid. Het is nogal wat als je erachter komt dat ‘ollieklonje’ eau-de-cologne is, een Frans woord, waarmee je het hebt over een stad in Duitsland! Ik associeerde het altijd met ‘ollienutjes’, pinda’s.”

Nooteboom

„Buiten Aarle-Rixtel bleek nog een andere, veel grotere wereld te zijn. Niet alleen die van de taal, waardoor je kon reizen in je hoofd, maar ook een fysieke wereld. Ik was daar een beetje bang voor, had de neiging om in mijn kleine, veilige wereld te blijven, maar mijn nieuwsgierigheid won het. Nadat ik de roman Philip en de anderen van Cees Nooteboom las, over een jongen die liftend door Europa trekt en ontdekt wat reizen met hem doet, ben ik in mijn eentje naar Parijs gegaan, en vanaf dat moment ben ik jarenlang een reiziger geweest. Eén keer heb ik zelfs een jaar rondgetrokken. Steeds gedreven door de vraag of ‘stoelen’ misschien ook nog een meervoud heeft, of dat we het moeten doen met wat we om ons heen zien. Niet dat ik het antwoord intussen weet, maar het is al mooi genoeg dat de taal mij heeft aangezet tot die zoektocht.”

    • Brigit Kooijman