Een verloren wereld

Michel Krielaars grasduint door de stapel moderne klassiekers en geeft zijn voorkeuren weer.

Foto’s Neil Turner

De romans van Joseph Roth (1894-1939) blinken uit door hun menselijkheid. Ter gelegenheid van de 75ste sterfdag van deze grote Oostenrijks-Joodse schrijver is een deel van zijn oeuvre nu in Nederlandse vertaling heruitgegeven. De romans Radetzkymars, De Kapucijner Crypte en Vlucht zonder einde geven een scherp beeld van de ondergang van het Habsburgse keizerrijk en de opkomst van het nationaal-socialisme. Maar Roths ontroerendste boek is toch echt Job, een roman uit 1930 over Mendel Singer, een arme, vrome jood uit een dorpje in tsaristisch Rusland, wiens lot doet denken aan dat van de Bijbelse Job. Als Mendels dochter Mirjam verliefd wordt op een kozak emigreert het gezin naar Amerika, waar één van Mendels zonen al woont. Een gehandicapte zoon blijft achter, net als de oudste zoon, die in het tsaristische leger zit. Beiden komen tijdens WOI om het leven. Als Mendels dochter krankzinnig wordt en zijn vrouw overlijdt, verliest hij zijn geloof in God. Maar aan het einde van dit geweldige boek bestaat er toch nog geluk voor Mendel en laat Roth je in tranen achter.

Gruwelijker, maar niet minder ontroerend, is Broers, de eveneens heruitgegeven familieroman uit 1983 van de Brits-Joodse schrijfster Bernice Rubens (1928-2004). Rubens vertelt de geschiedenis van vier generaties uit de Russisch-Joodse familie Bindel, telkens aan de hand van de lotgevallen van twee broers. Ook hier word je aan de hand van persoonlijke geschiedenissen deelgenoot van de verschrikkingen die Europa in de 19de en 20ste eeuw hebben ontwricht. Rubens voert je van de pogroms in het Odessa van de tsaren naar Hitlers concentratiekampen, de ‘psychiatrische’ ziekenhuizen van de Sovjet-Unie, de Engelse mijnstreek en de Joodse staat Israël. En telkens sta je weer verbaasd over de overlevingsdrang van de broers.

De geschiedenis van Midden-Europa en de typische sfeer van de wereld van Stefan Zweig, Franz Kafka, Joseph Roth en Italo Svevo blijkt ook uit het beklemmende en magistrale Huwelijksleven van de Oostenrijks-Joodse schrijver David Vogel (1891-1944). Deze in het Hebreeuws geschreven en in 1939 voltooide roman, maakte de schrijver pas eind jaren tachtig, vele jaren na zijn dood in een Duits concentratiekamp, wereldberoemd. Huwelijksleven verhaalt over de schlemielige intellectueel Rudolf Gurdweill, die in het armoedige Wenen van na WOI een verhouding krijgt met een sadistische, aan lager wal geraakte barones. In hun destructieve relatie is het zaad van het nationaal-socialisme overal aanwezig. Huwelijksleven is een sensitieve roman over vernedering en ondergang, waarin je het neurotische Wenen van Freud met zijn Joodse zelfhaat en destructiedrang op ieder bladzijde tegenkomt.

Met meer afstand wordt die wereld beschreven in De haas met de amberkleurige ogen, waarin de Brit Edmund de Waal de geschiedenis van de Joodse tak van zijn familie vertelt. Aan de hand van die Ephrussi’s en een collectie Japanse netsuke’s, die van generatie op generatie wordt doorgegeven, krijg je zo een fascinerend beeld van een schatrijke familie uit Odessa, die zich in de loop der jaren over de Europese hoofdsteden verspreidt. De zoons van de fortuinmakers houden zich niet meer bezig met zaken, maar met kunst verzamelen en literatuur. Het levert intieme geschiedenissen op, die laten zien hoe geniepig en sluipend het antisemitisme in Europa opkwam. Een van de Ephrussi’s stond model voor Prousts Joodse personage Swann.

De Waals mooi geïllustreerde boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die zich interesseert voor de geschiedenis van het vooroorlogse Europa. Juist omdat het zo goed laat zien hoe in een redelijk stabiele samenleving van het ene moment op het andere haat jegens een minderheid de overhand kan krijgen en het dan te laat is om het kwaad te keren.