Een staatkundige octopus

Europa, hoor je wel zeggen, is dankzij crises tot stand gekomen. Daarom zijn velen niet zo gealarmeerd dat Europa momenteel niet zo populair is bij de burgers. Uiteindelijk komt er wel weer een crisis langs, zeggen ze, die uiteindelijk juist tot méér Europese integratie leidt – net als de Tweede Wereldoorlog dat deed, of de Suezcrisis, of de eurocrisis. Politici staan immers liever geen macht af aan Europese instellingen, behalve als het echt niet anders kan. Ofwel, als een flinke crisis ze dwingt. Geliefd of niet – zo kachelt Europa altijd met horten en stoten vooruit.

Maar is dit wel zo? Pieter de Wilde, een Nederlandse politicoloog aan het onderzoeksinstituut WZB in Berlijn, twijfelt. Tijdens een Europa-conferentie aan de Utrechtse universiteit pleitte hij er kortgeleden voor om eens serieus te onderzoeken welke rol de crisis in de Europese politiek nu werkelijk speelt. Dat is nog nauwelijks gebeurd. De Wilde vermoedt namelijk dat de huidige crisis er voor het eerst een is waarvan niet de voorstanders maar de tegenstanders van Europese integratie profiteren.

Elke grote crisis is een schok voor de bestaande orde. Het betekent dat er iets moet veranderen. Zoals altijd als er aan de knoppen wordt gedraaid, staan er in de coulissen mensen klaar die daarvan de vruchten willen plukken. Entrepreneurs, ‘ondernemers’, noemt De Wilde ze. Allemaal gaan ze de publieke bühne op om hun punt te maken. Degenen die het pleit winnen, zijn degenen die anderen ervan overtuigen dat het publieke belang x in het geding is door systeem y. Voorbeeld: sinds 1945 zijn de winnaars van die publieke discussie altijd diegenen geweest die zeiden dat het systeem van nationale staten, dat grofweg bestaat sinds de Vrede van Münster (1648), een gevaar betekende voor het ‘publieke goed’ van vrede en veiligheid. Dat moest vervolgens bescherming krijgen van een overkoepelend, Europees systeem.

Maar intussen is er veel veranderd. Ten eerste is er méér Europa gekomen; daarmee bestaat het ‘systeem’ dat de zwartepiet toegeschoven kan krijgen, niet langer alleen uit de natiestaten, maar ook het Europese systeem zelf. Sterker, steeds meer burgers denken dat ‘Europa’ een soort staatkundige octopus is. De bühne is bovendien oneindig veel groter dan vroeger: burgers willen dat alles transparant is en zichtbaar voor iedereen – zelfs dingen die dat vroeger niet waren, zoals de manier waarop ministers of eurocommissarissen worden benoemd. Het publieke goed waar tijdens deze crisis vooral over gedebatteerd wordt, is niet alleen meer vrede en veiligheid, zoals voorheen, maar vooral ook ‘democratie’.

‘Het democratische tekort is hét issue van deze tijd”, zegt De Wilde. Ter illustratie noemt hij de opmerkingen van een boze Griek over de crisis: hij zei niet dat hij werkloos was geworden, maar ging tekeer tegen „ongekozen functionarissen in Brussel”. Kortom, in de coulissen staan veel mensen klaar om uit naam van dit veronderstelde democratisch tekort Europa de schuld te geven van de crisis, en dus niet meer de lidstaten.

Wat dit tekort inhoudt, hoe groot het is en waar het zit, is al geen discussie meer. De interpretatie van de eurosceptische ‘ondernemers’ heeft al gewonnen. Mensen die meer Europese integratie willen, hebben daardoor niet langer het beste verhaal. Daarom zouden crises in de toekomst Europese integratie weleens eerder kunnen vertragen dan versnellen.

Als dit uitkomt, staat mensen die Europa willen behouden maar één ding te doen: zelf de bühne op. Hun eigen verhaal vertellen. Zo snel mogelijk aantonen dat meer Europa wel degelijk meer democratie kan opleveren. Een gekozen president van Europa, of meer macht voor nationale parlementen, om maar iets te noemen.