Anti-design? Och... Hooguit wat kritisch

Het oeuvre van Ettore Sottsass is even omvangrijk als divers. Wie wil, kan in een Sottsass-universum wonen.

Bontgekleurde kast, de Carlton uit 1981. Foto Memphis Milano, Aldo Ballo

Zou er een designmuseum zijn dat de Valentine niet in de collectie heeft? Deze draagbare Olivetti-schrijfmachine uit 1969 staat te boek als een revolutionair industrieel ontwerp: van brandweerrood plastic en met knaloranje spoelen voor het inktlint, die de gebruiker als robotogen aanstaren – in het pre-Apple-tijdperk een designstatement van jewelste.

Ettore Sottsass, de Italiaanse ontwerper van de bejubelde schrijfmachine, nam zelf afstand van de Valentine. Hij had gedroomd van een ‘anti-machine-machine’ waarmee „dichters op zondagmorgen de natuur in trekken om aan hun verzen te werken”. Een spotgoedkope typemachine met alleen maar hoofdletters, zonder belletje dat het einde van de regel aankondigt en gevat in een koffer die ook als krukje of tafeltje te gebruiken zou zijn. Niets aan de Valentine, hoopte Sottsass, had gedachten aan monotoon kantoorwerk mogen oproepen.

Fabrikant Olivetti verwierp veel van zijn voorstellen als te radicaal. De Valentine werd daardoor duurder en gangbaarder dan de ontwerper had gewild, voor Sottsass reden om nooit meer consumentenproducten te ontwerpen waarbij economische beslissingen zo’n stempel konden drukken. In een vraaggesprek in 2004 keek hij met gemengde gevoelens terug op zijn beroemdste ontwerp: „Intellectuelen waren dol op de Valentine, maar de markt niet. Ik wilde een populair en betaalbaar product, overal en door iedereen te gebruiken. En wat werd het? Een pop-artobject.”

Bijna zeven jaar na Sottsass’ dood is bij de Britse uitgeverij Phaidon een monumentale, 470 pagina’s dikke monografie over hem verschenen. Over de legendarische ontwerper is al een plank vol met boeken geschreven, maar geen daarvan haalt het bij deze uitgave van de Zwitserse kunsthistoricus Philippe Thomé. Sottsass, zoals zijn levensbeschrijving simpelweg heet, is intelligent van opzet, bevat diverse voortreffelijke essays en tal van niet eerder gepubliceerde illustraties en foto’s. Het boek is bovendien zeer ‘Sottsass’ vormgeven: met een ingenieus, mintgroen omslag en zwart-wit gestreepte schutbladen.

Silhouet

In de monografie wordt aan de Valentine ruim aandacht besteed, net als aan de Carlton-kast, dat andere Sottsass-ontwerp dat in vele musea staat opgesteld. Maar Ettore Sottsass (1907-2007) is niet zo’n ontwerper die zijn roem vooral dankt aan één of meer designklassiekers. De verklaring voor zijn faam moet eerder gezocht worden in het geheel: zijn werk, zijn ideeën en de wijze waarop hij in het leven stond. Welke hoogbejaarde heeft de veerkracht om een ‘Radar voor lieveheersbeestjes’ te bedenken of een ‘Bureau voor een linkshandige gentleman’, zoals Sottsass deed?

Zijn oeuvre is even omvangrijk als divers. Wie wil, kan in een Sottsass-universum wonen. Van de badkamerkraan tot de pepermolen en van de televisie tot de deurkruk, geen huishoudelijk product dat Sottsass niet heeft ontworpen. Maar ook de schilderijen aan de wand, het huis zelf, de hele straat, de school en de winkels om de hoek kunnen zijn stempel dragen.

Opgeleid als architect begon Sottsass zijn loopbaan op het architectenbureau van zijn vader, die verantwoordelijk was voor vele woningen, scholen en kerken in Italië. Maar na de vroege dood van zijn vader in 1953 richtte Sottsass Jr. zich op het ontwerpen van gebruiksvoorwerpen. Eerst vooral meubels, vazen en lampen, die met hun gestapelde blokkendoosvormen vaak iets architecturaals hadden. Vanaf 1958 zette Sottsass als industrieel ontwerper een standaard, toen hij voor computer- en kantoorfabrikant Olivetti ging werken. Met groene en perzikkleurige reken- en schrijfmachines introduceerde hij kleur in een branche waar zwart en grijs de standaard waren.

Dat veelvuldig gebruik van kleur en ook decoratie hoort bij Sottsass’ handschrift. Hij stelde als ontwerper communicatie boven functionaliteit, hij wilde graag de zintuigen aanspreken. Veel ontwerpers na hem hebben zich door dat uitgangspunt laten inspireren.

Bob Dylan

Maar Sottsass was zoveel meer dan productontwerper. Hij was fotograaf, keramist, dichter en essayist. Met zijn eerste vrouw Fernanda Pivano zette hij een uitgeverij op. En op zijn 63ste begon hij nog een succesvol ontwerpbureau, verantwoordelijk voor onder meer de interieurs van winkelketens als Esprit en het vliegveld Malpensa.

Minstens zo belangrijk als zijn ontwerpen is Sottsass’ rol als aanjager en inspirator. Hij had contacten met zulke uitleenlopende kunstenaars als Picasso, Hemingway en Bob Dylan. En bijna zestig jaar lang was hij een centrale figuur in de avant-gardecultuur in Italië.

Voor veel jonge ontwerpers en kunstenaars was hij een referentiepunt, stelt architecte Francesca Picchi in het openingsessay van de monografie: „Ze gingen om hem heen staan alsof hij een antieke obelisk was die op het punt stond een overweldigende hoeveelheid creatieve energie los te laten.”

In de jaren zestig hield Sottsass dagelijks soir in zijn appartement in Milaan. Veel bezoekers beschouwden haar echtgenoot als een goeroe, vertelt Pivano in het boek. „Ons appartement was een pelgrimsoord voor anarchisten, beatniks, antimilitaristen en down-and-outs. Ze kwamen en gingen, op zoek naar informatie en uitwisseling van ideeën.”

Anti-design

Op 11 december 1980 zat Sottsass thuis aan tafel met een stel beginnende ontwerpers, allen minstens dertig jaar jonger dan hij. Ze discussieerden over de toekomst van hun vak en waren het eens dat het tijd was voor een nieuwe aanpak. Dezelfde avond besloten ze tot de oprichting van het designcollectief Memphis, vernoemd naar een Bob Dylan-song die de hele avond op de draaitafel lag.

Memphis leidde tot een stoet aan bontgekleurde, met goedkoop laminaat beplakte meubels, met de sculpturale Carlton-kast van Sottsass als hoogtepunt. Een aanval op de goede smaak die commercieel niet bijzonder succesvol was, maar die wel tot op de dag van vandaag voor behoorlijk wat discussie zorgt.

Sottsass is vaak verkeerd begrepen, stelt Thomé in zijn monografie. Door zijn onafhankelijke en soms radicale houding hebben diverse critici zijn werk als anti-design afgeschilderd. In een vraaggesprek vlak voor zijn dood zei de toen bijna 90-jarige ontwerper dat het nooit zijn intentie was geweest om te rebelleren. „Ik was hooguit een beetje kritisch.”

Het oeuvre van Sottsass ademt vooral een enorme levenslust. Hoe vitaal de ontwerper was, bleek al in 1961, toen na een drie maanden durende reis door India, een terminale nierontsteking bij hem werd gediagnosticeerd. Zijn Italiaanse artsen hadden hem opgegeven, maar dankzij de directeur van zijn opdrachtgever Olivetti onderging de 44-jarige ontwerper een experimentele therapie in het Stanford Medical Centre in Californië.

Maandenlang zweefde hij op de rand van de dood. Maar toen hij opknapte, maakte Sottsass vanaf zijn ziekbed de Room East 128 Chronicle, een provisorisch tijdschrift dat hij aan vrienden rondstuurde. De derde en laatste aflevering, een themanummer over ‘alledaagse banaliteit’, bevatte collages van getekende auto’s, koelkasten en wapens die Sottsass uit tijdschriften had gescheurd. Thomé besteedt er in zijn boek terecht veel aandacht aan. Hij citeert de Italiaanse kunstcriticus Bruno Alfieri, die het ziekenhuistijdschrift in 1965 roemde: „Een verbazingwekkend tijdschrift dat herinnerd zal worden als een document van de culturele achtergrond van de meest toegewijde kunstenaar van het moment.”

    • Arjen Ribbens