Zonder zelfs maar de tijd voor schrik

Steeds die uit hun verband getrokken regels van de dichter Jorgos Seferis in mijn hoofd: „niemand weet/ wie hij zal doden en hoe zijn einde zal zijn”. Zo erg uit hun verband getrokken zijn ze trouwens niet, het is een gedicht over oorlog, over het vertrek naar de oorlog om precies te zijn. Niemand weet wie hij zal doden, dat geldt voor de onverschillige avonturiers met hun raketten. En niemand weet hoe zijn einde zal zijn, dat geldt voor iedereen. Altijd. Maar in deze tijden denk je het meer dan ooit. Wie had kunnen denken dat zijn einde, of dat van zijn vader, broer, kind, vriendin, geliefde of collega zou zijn om in een vliegtuig te zitten dat uit de lucht geschoten zou worden? Dat overkomt ons niet.

Het gedicht van Seferis refereert aan de Trojaanse oorlog, het heet ‘Astyanax’, de naam van Hektors zoon. Ook in die oorlog vernederde men de vijand door te verhinderen dat lichamen plechtig begraven konden worden.

Hektors vader moest bij de vijand gaan smeken om het lichaam van zijn zoon terug te krijgen, hij heeft zelfs diens handen gekust, „de wrede,/ mannenmoordende handen waarmee hij zijn zonen gedood had…” schrijft Homeros.

Zo letterlijk doen wij dat vandaag niet meer, maar in zekere zin doen we het nog wel. Er zit niets anders op.

In de krant lees ik dat het voor de verzekeraars een groot verschil maakt of het een ongeluk was of een oorlogshandeling. Niet alleen voor de verzekeraars. Een ongeluk is vreselijk. Een opzettelijke geweldsdaad is onverteerbaar. In jezelf voel je soms even de verstikkende woede van de nabestaanden. En tegelijkertijd het verlangen je van die woede af te keren.

Waar naartoe? Naar de doden. Maar dan komt die vreselijke zin weer: ‘niemand weet hoe zijn einde zal zijn’. Of die andere uit zijn verband getrokken regel, van Hendrik de Vries: „Mijn broer, gij leed een einde waar geen mens van weet”.

Niemand weet hoe een ander sterft. Maar je hoopt dat het einde snel, ja onmiddellijk kwam. Een klap en weg. En dat ze tot dan toe tevreden in dat vliegtuig zaten, fijn, op weg naar hun vakantie, hun congres, hun familiebezoek, hun stage. Dat het een goed moment in hun leven was het moment waarop ze het ineens beëindigden, zonder pijn, zonder zelfs maar de tijd voor schrik.

Je stelt het je voor, dat vliegtuig vol rinkelende glazen, pratende en lezende mensen, de zon door de kleine ruitjes, de stewardessen in het gangpad, een man die in de kastjes staat te rommelen op zoek naar een reisgidsje, de twee vrouwen die staan te giechelen in het rijtje voor de wc’s, de sfeer van vakantie en verwachting. En dat gewoon in één keer het licht uit ging. Een hap naar geen adem en weg.

Als je zo jezelf zo veel mogelijk gerustgesteld hebt over hen, over hun einde, dan ben je weer op de grond.

Op de grond is niemand. Daar zijn ‘resten’ ‘weefsels’ ‘lichamen’.

Thuis zitten de verlatenen en het is of het alleen maar woorden zijn die gezegd worden want het kan niet waar zijn, natuurlijk is het niet waar. En steeds weer is het waar. Steeds weer deze regels, van Gerrit Kouwenaar:

Vanavond gehoord van je dood op een uur

dat de dag haast stilstond van vrede

maar onder een andere hemel verstreek een andere tijd

ontplofte het licht en je was verdwenen

    • Marjoleine de Vos