Orkestleiders van het groen

Zo’n 250 jaar gonsde de naam Copijn door parken en tuinen. De familie nam zowel de ontwerpen als de beplantingen uit eigen kwekerij voor haar rekening. Zie de lijn van Franse geometrie naar ‘Wonderwall’.

Ook plantenliefhebbers zijn leunstoelreizigers, verslaafd aan avontuurlijke belevenissen beschreven door plantenjagers. In het tuinbouwblad Flora en Pomona, opgericht in 1853, doen botanisten verslag vanuit de Himalaya, poolstreken van Noord-Amerika, Kaap de Goede Hoop en Zwitserland – waarbij ‘Pomona’ slaat op de Romeinse godin van de boomvruchten. De volledige ondertitel van het tijdschrift is Magazijn voor tuinbouw, warmoezerij, boomkweekerij en wetenschappelijke landbouw..

Een van de oprichters van Flora en Pomona was Jan Copijn (1812-1885), een vooraanstaand boomkweker uit Groenekan bij Utrecht. De dynastie van boomkwekers en tuinarchitecten waar hij uit voortkwam gaat terug tot 1763 en duurt tot op heden voort. De eerste Copijn beijverde zich om exotische gewassen geschikt te maken voor beplanting in gematigder klimaat. ‘Plantenjager’ was een serieus beroep en de firma Copijn bood hen emplooi door hun ‘prooien’ op te nemen in geavanceerde tuinontwerpen.

In het rijk geïllustreerde standaardwerk Met levend materiaal. Copijn 1763-2013 geeft plantkundige Mariëtte Kamphuis voor het eerst een overzicht van de 250-jarige horticulaire bemoeienissen van deze familie. Ze heeft de bedrijfsarchieven uitputtend bestudeerd en nieuwe bronnen aangeboord, verlangens en wensen van opdrachtgevers in kaart gebracht. De kleurrijke ontwerptekeningen met sierlijk lijnenspel van boomgroepen, zichtlijnen en waterpartijen zijn kunstwerken op zich, die de tuingeschiedenis treffend illustreren. Helaas is de schrijfstijl van Kamphuis, zeker in de historische hoofdstukken, moeizaam en clichématig, met stroeve zinnen. Pas wanneer het nu in zicht komt en zij verrassende verbanden legt tussen tuinarchitectuur en het Nederlandse landschap wint haar stijl aan helderheid.

Wrakke bomen

Gelukkig heeft zij oog voor veelzeggende details. Een telg van de Copijnen, J’ørn Copijn, geboren in 1941, was in de jaren zestig een van de eerste boomchirurgen die tal van monumentale maar wrakke bomen het leven heeft gered. Aan hem is zelfs in 1973 een Suske en Wiske-album gewijd, De boze boomzalver, waarin Lambik het vak van boomchirurgie leert bij de firma Cop&Pijn.

Terecht stelt Kamphuis dat ‘onze groene buitenruimte ook een cultuurgeschiedenis heeft, maar waarvan het grote publiek zich nauwelijks bewust is’. Architectuur van bouwwerken valt op, lokt uit tot beschrijving en discussie, maar de boom- en plantkundige vormgeving van ons land trekt nauwelijks aandacht. We vinden het vanzelfsprekend dat waterpartijen in stadsparken ‘gelobd’ zijn, ofwel voorzien van oevers met rondingen. Of dat de paden slingeren en er opeens, aan het einde van een zichtas, een indrukwekkende boom staat. Juist door die vloeiende vormen lijkt het of deze parkachtige landschappen organisch zijn ontstaan, alsof de natuur verantwoordelijk is voor die rondingen. Maar het tegendeel is waar: het is bedacht, beredeneerd, minutieus getekend en welbewust gecomponeerd. In de visie van Kamphuis zijn tuinkunstenaars als ‘orkestleiders’.

De Copijnen waren overigens niet de enige tuinarchitecten, ook families als Zocher en Van Lunteren schiepen tuinen en parken in een landschapsstijl die nog steeds verspreid over het land zijn te vinden. Deze 19de-eeuwse tuinontwerpers zijn verantwoordelijk voor hoven als het Amsterdamse Vondelpark en de tuin van het Rijksmuseum, Park Sonsbeek in Arnhem, Menkemaborg en het Noorderplantsoen in Groningen, het Rotterdamse Zocherpark en de lustwarande de Hemelse Berg bij Oosterbeek.

Mallejan

In de tijd dat de eerste Copijn, stamvader Hendrik in 1763 zijn kwekerij in Groenekan begon, overheerste in West-Europa de strenge Franse geometrische tuinaanleg. Geleidelijk kwam de romantische Engelse landschapsstijl in zwang, en die bood Copijn de kans toe te slaan. Het was zijn kracht dat hij niet alleen het ontwerp voor zijn rekening nam, maar ook zorg droeg voor beplanting uit eigen kwekerij. Die verbintenis gold ook voor de latere Copijnen.

Die ‘beplanting’ moeten we ons beslist groots voorstellen. Bij de aanleg in 1893 van de vierhonderd meter lange slotlaan van Kasteel de Haar in Utrecht bijvoorbeeld maakte Hendrik Copijn gebruik van technisch vernuft, de zogenaamde mallejan, een takel waarmee volwassen bomen vervoerd en geplant konden worden. De Geïllustreerde gids van Utrecht en omstreken memoreert het botanische evenement als volgt: ‘Uit het niets werd hier een door zwaar geboomte belommerd landgoed niet uit, maar in den grond gestampt.’

Toonde de 19de-eeuwer Copijn belangstelling voor de verticale begroeiing van de Himalaya, hij kon niet bevroeden dat zijn nakroost ooit daadwerkelijk een loodrechte tuin zou ontwerpen. In 2011 verrees aan de buitengevel en aan de binnenwand van het hoofdkantoor van het energiebedrijf Eneco in Rotterdam de ingenieuze Copijn Wonderwall, een plantenmuur van duizend vierkante meter met een rijk palet van vijfentwintigduizend planten. Dit tapijt van verticaal groen bevindt zich op de gevels van de begane grond en de eerste twee etages van het gebouw. Leidingen voeren het regenwater terug naar de planten, zodat de Wonderwall in ecologisch opzicht duurzaam is en voor luchtzuiverheid zorgt. En dan is er de aanblik van buitenaf: die is onontkoombaar. Tussen al het stadse kantoorsteen zijn de steile bergflanken van sappig groen te bewonderen.

    • Kester Freriks