O zo mooi en tropisch, maar sáái dat het er was...

Iris Hannema (1985) reisde alleen de wereld over. Haar moeder nam stiekem screenshots tijdens hun Skype-sessies. Deze zomer schrijft Iris over die gesprekken en haar reis. Deze aflevering: Indonesië.

Ze noemden me ‘mister’. In het begin dacht ik nog dat het een lokale eilandgrap was om iedere buitenlandse steevast ‘meneer’ te noemen. Tot ik erachter kwam dat dit een van de weinige Engelse woorden was die de eilanders kenden – dus eigenlijk heel lief bedoeld. Ik heb meerdere keren een groepje schoolkinderen uitgelegd dat ik ‘miss’ ben en hij daar, met dat ding tussen zijn benen, een mister. Ze gaapten me dan gefascineerd aan, maakten foto’s met goedkope Nokia-mobieltjes, maar bij het afscheid riepen ze weer zwaaiend ‘bye bye, meneer!’

Ik voelde me niet helemaal senang op het Molukse Kei Kecil, een o zo mooi tropisch eiland. Het zand was wít, echt wit, zonder zonnebril op kon ik er niet rechtstreeks naar kijken en de zee was van zwembadwaterhelderheid. Maar sáái dat het er was, mijn hemel, ik verveelde me te pletter. Ik ben geen zonaanbidder en wil altijd iets doen, en dat was het nou juist: er was niets te doen.

En juist dat leek mij vóór aankomst een heerlijk idee, helemaal niets doen op een tropisch eiland, heel ver van de bewoonde wereld. Ik had zelfs plannen om er te gaan wonen, dat zou toch een droomleven zijn? Maar goed, ik heb het er een dag of tien uitgehouden en ben toen met zo’n twaalfpersoonsvliegtuigje teruggevlogen naar Ambon, het grootste Molukse eiland. Mijn moeder wist natuurlijk allang dat ik het er geen maand zou uithouden.

Westers handigheidje

Wat deed ik überhaupt met een vork op een Indonesisch eiland? Ze aten er met eetstokjes of met hun handen. Volgens mij had ik ergens een vork gekocht en reisde ik ermee in mijn backpack, als klein westers handigheidje en liet ik daarom die vork aan mijn moeder zien. Ik had erge darmklachten door het veel te pittige eten, misschien vertelde ik dat wel aan haar. Als ik in een restaurantje vroeg om alsjeblieft niet te veel pedas in mijn gerecht, lachten ze altijd vriendelijk en knikten begrijpend. Maar het bleef zó rode-peper-pittig, alsof mijn tong op de barbecue had gelegen en ik op kooltjes had zitten kauwen in plaats van op een rijstgerecht.

Heel geestig

Belangrijker dan mensen bleken de onzichtbare bewoners van het eiland. Volgens de man die het strandhutje verhuurde waar ik logeerde, was het strand vol geesten die waakten over de eilandbewoners. Ik vertelde dit verhaal aan mijn moeder en deed daarbij een boze geest na, best goed gelukt zie ik nu achteraf. De boom pal naast mijn hut was de ‘boom van de geesten’. Volgens de lokale legende zou dit precies de nachtelijke verzamelplek van de overleden zielen zijn. Ik zag niets, maar ik liep wel met een grote boog om de boom heen. Maar zolang ik niet zou fluiten na zonsondergang en de geesten met rust zou laten, zouden ze mij ook met rust laten, zei de man van de strandhutjes. En dat hebben ze gelukkig alle tien de nachten ook gedaan.