‘Ik stuur kinderen nooit de gang op als ik aan het schrijven ben’

. Ze schreef achttien kinderboeken in twaalf jaar en maakte daarin ook haar eigen ontwikkeling door. ‘Mijn doel is kinderen ongemerkt goede boeken te laten lezen’. En, zo zegt ze verder: ‘Soms komen zinnen uit mijn diepste wezen.’

Anna Woltz: ‘Mijn kijk op het leven is verpest door de meisjesboeken Sanne van Havelte!’ Foto Katrijn van Giel

‘Fuck de verbroedering’, denkt de veertienjarige Emilia in het jeugdboek Honderd uur nacht. Waarom zou ze praten met andere mensen als ze wifi heeft? Als een zombie staat ze met haar mobieltje tussen de andere zombies, naast de glazen kubus van de Apple Store in Manhattan, op de hoek van Fifth Avenue en Central Park. In een lamgelegde stad is het een oase van elektriciteit – en internet. Het is oktober 2012. Een dag eerder raasde de verwoestende orkaan Sandy over.

„Ik heb daar gestaan waar zij staat”, zegt schrijfster Anna Woltz (1981). „In koud, grijs New York, het motregende. Daar stonden de mensen, diep weggedoken in hun jassen, zwijgend hun mobieltjes te bespelen. Ik ben er zwijgend bij gaan staan, dolblij.”

Daar kon ze eindelijk haar mail binnenhalen op haar smartphone en horen „hoe het met ons in New York ging”, vertelt ze. „Mijn moeder mailde me updates vanuit Nederland, dat was de simpelste manier om op de hoogte te blijven. Zij kon makkelijker The New York Times lezen dan ik.” Verstoken van stroom of drinkwater was het zuiden van Manhattan veranderd in een City of Darkness, schreef die krant. Daar woonden de Dark People, die overdag naar noordelijker delen van Manhattan trokken, waar het licht brandde. Om zich te laven aan de warmte en het licht. ’s Avonds keerden ze terug naar het donker.

Materiaal voor een boek, wist Woltz, die drie maanden in Manhattan woonde en tijdens ‘Sandy’ de grimmige kant leerde kennen van de stad waar ze zo van houdt. Haar ervaringen kwamen terecht in Honderd uur nacht. Een jeugdboek, over de Nederlandse Emilia die vlak voor de orkaan naar New York vlucht – omdat ze totaal weg wil zijn van elke vorm van communicatie. Emilia’s vader, de directeur van haar school, is door het slijk van de sociale media gehaald omdat hij ongepaste sms’jes heeft verstuurd naar een leerlinge van zeventien.

„Wat voor gevolgen had Sandy? Geen bereik op je mobiel – hoe kan ik dat voor mijn hoofdpersoon extra gewicht geven, vroeg ik me af. Nou, door haar wens om weg te zijn van elk communicatiemiddel op een extreme manier in vervulling te laten gaan. En door haar te laten voelen dat dat toch niet haar diepste wens is.”

Een bewust aangebrachte paradox, zegt Woltz, in haar appartement in de Utrechtse binnenstad, vlakbij waar Dick Bruna altijd zijn atelier had. „Het leven hangt soms als los zand aan elkaar, maar in een boek, een afgebakend stukje van de wereld, is het mooi als alles met alles verbonden is. Dat is hard werken, maar ook fantastisch om te doen. En ik denk dat mijn bouwwerken steeds beter in elkaar zitten.”

Honderd uur nacht, dat dit voorjaar verscheen, is een succes – zowel bij de kritiek als het publiek. De eerste druk was binnen een week uitverkocht, nadat het aangeprezen was in De wereld draait door.

„Het is fantastisch dat het een succes is, vooral omdat ik het niet even tussendoor heb geschreven. Dit was waar ik nu het liefste over wilde schrijven, over onderwerpen die mij aan het hart gaan: mijn lievelingsstad, de idiote manier waarop mensen tekeergaan op de sociale media. En het thema dat in bijna al mijn boeken voorkomt: kinderen die ontdekken dat hun ouders ook maar mensen zijn.

„Dan voelt zo’n succes toch anders. Ik bedoel: van mijn succesvolste boek is De pizzaspion zijn er 13.000 verkocht. Maar dat sloot naadloos aan op het thema van de Kinderboekenweek én kostte maar zes euro. Dat denk ik er altijd bij.”

U zegt het alsof dat het succes niet waard was.

„Het is een leuk verhaal, maar niet een van mijn beste boeken. Maar zo’n succes is leuk, omdat zoveel kinderen mijn verhaal lezen, en het kan een opstapje zijn om nog een boek van mij te lezen.”

Maar u zou niet nog zo’n boek schrijven?

„Ik ben wel veranderd in hoe ik naar schrijven kijk. Er zijn jaren geweest dat ik twee, drie boeken schreef. Dat is er nu nog maar één per jaar.”

Wat zit er achter die verandering?

„Ik ben heel jong begonnen met schrijven, ik heb mijn ontwikkeling doorgemaakt in boeken die gepubliceerd werden. Ik kijk niet neer op mijn eerste paar boeken, mijn debuut Alles kookt over heeft een vrolijke onbezonnenheid die ik nu niet meer voor elkaar krijg. Maar ik ben wel gaan beseffen dat het eerste woord dat in je opkomt niet sowieso het beste is.”

Heeft u dat echt gedacht?

„Nou, ik hield niet van schrijvers die ‘moeilijk doen’. Ik denk nu dat je zonder verkrampt literair te doen de dingen op een mooie, originele manier kunt zeggen. Maar dat vergt meer tijd, meer herschrijven. Vroeger vond ik dat aanstellerij.”

Ingegeven door literaire ambities?

„Ik ben nog steeds erg tegen kinderboeken die eigenlijk voor volwassenen bedoeld zijn. Of die maar door een klein groepje kinderen begrepen worden. Ik wil voor een groot publiek schrijven. Als ik scholen bezoek, en ik doe dat zestig dagen per jaar, leent zo’n klas van de bibliotheek een krat met al mijn boeken. Het is mijn streven dat er voor alle kinderen een boek in zit. Voor jongens, meisjes, goede en minder goede lezers.”

Vanuit die gedachte bouwt u aan een kinderboekenoeuvre?

„Nou, in die zin ben ik blij dat ik De pizzaspion heb geschreven, want jongens die minder goed lezen, smullen daarvan. Maar als ik kijk naar mijn recente boeken begin ik me een klein beetje zorgen te maken of ik nog wel zo’n volledige klas kan bedienen.”

Hoe komt dat?

„Ik denk dat ik aardig wat ingewikkelde gedachten in mijn boeken stop, ik moet oppassen dat ik dat niet te veel doe...”

Het is ‘de hoogste tijd’ voor een prijs, vond het DWDD-panel – een opmerking die ook leek te verwijzen naar Woltz’ vorige boeken, die steeds lovender recensies kregen. Hoogtepunt was Mijn bijzonder rare week met Tess (2013), dat maximale waarderingen kreeg, ook in deze krant.

Het was haar achttiende kinderboek in twaalf jaar – haar oeuvre bestaat uit avontuurlijke verhalen over eigentijdse kinderen of historische personages. Altijd met een sterke plot en volop lol, maar ook een serieuze ondertoon. Zo gaat Mijn bijzonder rare week met Tess over een vrolijke vakantie, maar ook over familie en de dood.

En nu werd het wel eens tijd dat Woltz in de prijzen viel. ‘Als er nu nog geen Griffel in zit, weet ik het ook niet meer’, schreef de recensent van Trouw.

Die Griffel kwam er niet, zo bleek een maand geleden bij de uitreiking. Mijn bijzonder rare week met Tess kreeg ‘slechts’ een eervolle vermelding, de Vlag & Wimpel. Woltz: „Na de uitreiking feliciteerden mensen me, maar ze zeiden ook bijna allemaal dat ze mijn boek een Griffel waard vonden. Daar werd ik eigenlijk wel heel vrolijk van.”

‘Eigenlijk wel’?

„Tja, wat kan ik erover zeggen? Uit het juryrapport begrijp ik dat de Griffeljury en ik heel anders over kinderboeken denken. De jury heeft ‘kinderen de gang opgestuurd’ tijdens de beraadslagingen, zeggen ze. Het heeft voor hen ‘geen enkele rol gespeeld’ of een boek ‘door 100, 1.000, 10.000 of 100.000 kinderen met plezier is gelezen’. Nou, ik stuur kinderen nooit de gang op als ik aan het schrijven ben. Dat zou ook nogal dom zijn: dan had ik geen hoofdpersonen meer over.”

Door met kinderen rekening te houden geeft u uw literaire autonomie op, lijkt hun suggestie.

„Kinderliteratuur blijft een raar genre: kinderen moeten nog zoveel leren, hebben zo weinig leeservaring, weinig levenservaring. Daar móet je als schrijver rekening mee houden, als je de keuze maakt om boeken voor kinderen te schrijven. Maar de hele psychologie, hoe mensen reageren, die dingen zijn nieuw voor een negenjarige. Als je er dan ook nog veel spannende metaforen in gooit...”

Toch interesseert literaire kwaliteit u steeds meer. Een volwassen maatstaf.

„Ja, ik ben zelf volwassen. Ik heb veel meer gelezen dan toen ik zeventien was en ik merk dat literatuur voor volwassenen me beïnvloedt. Ik denk nu soms eindeloos over zinnen na, soms komen die uit mijn diepste wezen. Kinderen mailen me ‘ik ben uw grootste fan’, volwassen lezers merken soms precies die ene zin op.

„Dus ja, ik probeer wel beelden en ideeën in mijn boeken te verstoppen die een ervaren lezer kan waarderen. Maar ik wil tegelijkertijd een lekker, spannend verhaal vertellen. Mijn doel is kinderen ongemerkt goede boeken te laten lezen.

Honderd uur nacht heb ik voor mijzelf als veertienjarige geschreven: ik weet nog goed dat ik zo graag bij zo’n groepje wilde horen als dat van Emilia en die drie jonge New Yorkers, en dan een avontuur beleven. En er zitten scènes in die rechtstreeks uit die meisjesboeken komen waar ik zo van smulde. Dan denk ik: o, wat ben ik een héérlijke kasteelroman aan het schrijven!”

Dat was meer uw smaak?

„Oók mijn smaak. Astrid Lindgren schreef mijn lievelingsboeken, maar de meisjesboeken van Sanne van Havelte heb ik misschien nog wel vaker gelezen. Brave, christelijke boeken uit de jaren dertig, veertig, vijftig, over mensen die met elkaar trouwen en kinderen krijgen.” Lacht: „Mijn kijk op het leven is verpest door Sanne van Havelte!”

Dan liever de kijk op het leven van een weldenkend mens als Anna Woltz?

Lacht weer: „Ik denk dat mijn kijk op het leven minder schadelijk is dan die burgerlijke romantiek van Van Havelte. En ik vind het leuk als pubers eens nadenken over hoe het leven zou zijn zonder Facebook en Twitter en Whatsapp.”

Er schuilt een onderwijzer in u.

„Er is iets van een juf in mij geslopen. Als ik ‘fuck’ schrijf, vragen mijn hoofdpersonen zich af of je dat mag zeggen. Dat klinkt moralistisch, en de Griffeljury huivert nu vast, maar zij hebben kinderen de gang opgestuurd – in een lege kamer kun je zo vaak fuck roepen als je wilt. Ik schrijf voor een volle kamer. Ik ben me steeds meer gaan realiseren hoeveel goed je kunt doen als je het lievelingsboek van een kind hebt geschreven.”

    • Thomas de Veen