Een rijke drukker-pokeraar

Christoffel Plantijn

De 16de-eeuwse Antwerpse drukker en uitgever schopte het tot miljonair en werd wereldberoemd. Hoe deed hij dat en hoe kwam zijn beroemde ‘Polyglot’ tot stand ?

Titelblad van de Polyglotbijbel, een 16de-eeuws megaproject Illustratie uit besproken boek

Bij zijn overlijden liet de Antwerpse drukker en uitgever Christoffel Plantijn (1520-1589) een vermogen na van naar schatting 136.000 gulden. Dat zou ongetwijfeld goed geweest zijn voor een hoge notering in de Quote 500 van dat jaar. Vanzelfsprekend was die rijkdom niet. Plantijn was als Frans immigrant omstreeks 1550 met zo goed als niets begonnen in Antwerpen, en sindsdien een paar keer bijna of geheel failliet gegaan.

Het drukkersvak was in de zestiende eeuw een riskante bezigheid. Er woedde een hevige concurrentie, er dreigde altijd censuur en vervolging, handelsvoorraden gingen makkelijk verloren bij natuurrampen en militair geweld, en de economie struikelde van crisis naar crisis. In die omstandigheden een vermogen van, omgerekend, circa tien miljoen euro bij elkaar verdienen, lijkt nauwelijks mogelijk.

De levensfeiten die in De woordenaar, een nieuwe biografie van Christoffel Plantijn, worden aangedragen, maken het alleen maar wonderbaarlijker. Plantijn was al halverwege de dertig, toen hij in Antwerpen een bescheiden drukkerij begon. Hij viel meteen op omdat hij niet afwachtte tot de kopij naar hem toekwam. Hij nam redacteuren in dienst die voor hem de boeken maakten, vooral veel woordenboeken en taalgidsen. Antwerpen was een zich onstuimig ontwikkelende handelsmetropool, vol buitenlanders, waardoor de behoefte aan talenkennis explodeerde.

Plantijn integreerde snel in de Antwerpse netwerken van kooplieden, intellectuelen en beroepskosmopolieten. Overigens zonder zich aan te passen: aan het einde van zijn leven schreef of sprak hij nog altijd nauwelijks Nederlands. Wel dacht en werkte hij internationaal. Naast een drukkerij runde hij een handel in het duurbetaalde modeartikel kant, dat hij door begijnen in Vlaanderen liet produceren en vervolgens naar Frankrijk exporteerde.

De lucratieve handel in kant verraadt iets van Plantijns succesformule: hij ontwikkelde stevige netwerken van producenten en afnemers en zorgde er angstvallig voor dat hij daarin de spil bleef. Waar hij maar kon schakelde hij familie en vrienden in. Plantijn duldde als patriarch weinig tegenspraak. Zijn dochters en schoonzoons kregen, al naar gelang hun specifieke talenten, taken opgedragen die het handelsimperium sterker moesten maken. Hard werken en niet zeuren, en dat was ook, in plechtig Latijn, het motto dat Plantijn voor zich zelf koos: ‘Labore et constantia’.

Historica Sandra Langereis maakt in haar levenschets van Plantijn duidelijk dat er in deze bedrijvige drukker twee zielen huisden: een ambitieuze zakenman, naast een naar kennis strevende intellectueel. Zonder academische opleiding lukte het Plantijn om vriendschappen te sluiten met de grootste geleerden van zijn tijd, zoals Justus Lipsius en Benito Arias Montanus. Hoe dat in de praktijk werkte, blijft in deze wat schoolse biografie wat schimmig. Plantijn moet een onweerstaanbaar vermogen hebben gehad om invloedrijke mensen aan zich te binden, ongetwijfeld geholpen door een lenige geest, hoffelijke manieren en een flinke dosis generositeit.

Grondtalen

Als geen ander begreep Plantijn dat in de hogere kringen geschenken de vriendschap plegen te onderhouden. Om opdrachten binnen te halen strooide hij met cadeaus. En als het moest ging alles uit de kast. Plantijn ontwikkelde het plan om de bijbel in een parallelvertaling van alle grondtalen uit te brengen. Een project waarvoor hij de beste kenners van het Aramees, Syrisch, Hebreeuws en Grieks jarenlang in zijn drukkerij liet werken. Het werk verscheen in acht kolossale delen tussen 1568 en 1572. De Polyglotbijbel is nog altijd een van de allergrootste drukkersprestaties die ooit zijn geleverd.

Bij het opzetten van dit megaproject besefte Plantijn dat hij het niet goed zonder de steun van de landsheer, koning Filips II, kon stellen. Het lukte hem de vroom katholieke Filips II een bestelling voor zes luxe-exemplaren te laten plaatsen. Voor het zover was had Plantijn werkelijk alles gedaan om in de gunst te komen van de koning. Zoals een eigenhandig geschreven lofdicht op Filips, uitgegeven in een boekje van zestien pagina’s, dat hij zelf van een luxe band voorzag. Een bewerkelijke vorm van omkoperij. Overigens had de deal met Filips II hem nog bijna genekt. De koning wilde zijn exemplaren gedrukt hebben op perkament. Dit kostte aanzienlijk meer dan het opleverde, ook omdat er door de plotselinge vraag uit Antwerpen in de Lage Landen een groot tekort aan runderhuiden ontstond.

Plantijn probeerde de koning tot meer goedgevigheid te bewegen. Tevergeefs. Ondertussen brak juist in 1568 in volle hevigheid de Opstand tegen het Spaanse bewind uit. De markt voor luxeboeken stortte in. De Polyglot dreigde Plantijn nu snel naar de ondergang te voeren.

Het gebeurde niet. In de hitte van de godsdienststrijd die voortdurend in Antwerpen en de rest van de Nederlanden oplaaide, bewoog hij behendig mee. Voor de Spanjaarden toonde hij zich een goed katholiek, terwijl zijn familie- en vriendenkring vele protestanten kende.

Geuzennest

Plantijn opende zelfs een dependance in het geuzennest Vianen, waar veel opstandig drukwerk werd geproduceerd. Hij kwam ermee weg. De Spanjaarden, inclusief de gevreesde hertog van Alva, hadden redelijk in de gaten waar hij mee bezig was, maar echt aanpakken durfden ze hem niet. Voor aanzienlijk minder grote vergrijpen gingen veel van zijn collega’s meteen de brandstapel op.

Hoe Plantijn erin slaagde om dit dubbelspel jarenlang vol te houden, is ook na lezing van de biografie nog altijd een raadsel. Hij moet een ijskoude pokeraar zijn geweest, met een goed netwerk van stille beschermers. We krijgen daar af en toe een glimp van, maar niet meer dan dat. In 1575 zat Plantijn vreselijk omhoog met een enorme hoeveelheid onverkochte Polyglotbijbels. Wel dook in dat jaar een exemplaar van dit werk op in het protestantse Leiden. Het was een geschenk aan de pas gestichte universiteit. De gever was Willem van Oranje. Les affaires sont les affaires, zal Plantijn gedacht hebben.

    • Rene van Stipriaan