Een held in tijden van verval

Kunst en literatuur raken steeds meer in de greep van het geld en alomtegenwoordig nuttigheidsdenken. Baudelaire maakte zich al geen illusies, over de wereld en zichzelf.

Tekening Paul van der Steen

De Fransman Charles Baudelaire (1821-1867) geldt als een van de eerste poètes maudits. Voor zulke ‘gedoemde dichters’ was in de moderne burgerlijke wereld, waarin alles om nut en geld draaide, eigenlijk geen plaats. Toch zijn ze zo ongeveer het prototype van de moderne romantische kunstenaar geworden. Miskend tijdens hun leven, aanbeden en eindeloos bestudeerd na hun dood. Postuum werden hun provocaties en banvloeken opeens wél geapprecieerd. De doem veranderde in roem.

Inmiddels is dit schema ernstig aan slijtage onderhevig. Verzet tegen status quo en establishment is een cliché geworden. En dat kunst en literatuur de wereld echt veranderen, gelooft bijna niemand meer. Het is eerder andersom: kunst en literatuur raken steeds meer in de greep van het geld en van het alomtegenwoordige nuttigheidsdenken.

Onder deze omstandigheden loont het de moeite een blik te werpen op Baudelaire en diens illusieloze afwijzing van de moderne wereld. Bij hem ontbreken de utopische verwachtingen. Wat hij demonstreert, is hoe er ook onder barre artistieke omstandigheden te leven valt, zij het met moeite. Hoe blijf je jezelf trouw, terwijl bijna niemand buiten jijzelf daar prijs op stelt? Baudelaire lezen kan voor hedendaagse schrijvers of kunstenaars een – toegegeven: ietwat dubieus – feest van de herkenning zijn.

De vertaling van Baudelaire’s Journaux intimes komt daarom als geroepen. Op geen andere plek in zijn oeuvre heeft de dichter van Les fleurs du mal zich zo onomwonden uitgesproken. Om echte dagboeken gaat het niet, zoals vertaler Rokus Hofstede in zijn nawoord uiteen zet. In Fusées (Flitsen) en Mon coeur mis à nu (Mijn hart blootgelegd), de belangrijkste van deze ‘intieme journalen’, vinden we geen verslag van het dagelijkse doen en laten. Zelf sprak Baudelaire over zijn ‘ livre de rancunes’. Dat komt meer in de richting: de auteur laat zich gaan, haat en wrok krijgen de vrije teugel, de remmen zijn los. De vooruitgang, de burgerij, de vrouw, het volk, de democratie, de natuur – ze moeten er stuk voor stuk aan geloven. ‘De letterkundige is de vijand van de wereld’, heet het ergens, en dat zullen we weten.

Afgrondsgevoel

Maar Baudelaire spaart zichzelf evenmin. Wat dat betreft doet hij zijn (aan Edgar Allan Poe ontleende) titel eer aan: het eigen hart wordt genadeloos blootgelegd, met alle spanningen en contradicties die het bevat. Niet toevallig eist de schrijver het recht op ‘om jezelf tegen te spreken’. Waarom consequent zijn in een wereld die ‘draait op het misverstand’? Hij schrijft ook: ‘Zowel geestelijk als lichamelijk heb ik altijd het afgrondsgevoel (la sensation du gouffre) gehad’ en ‘Met genot en ontzetting heb ik mijn hysterie gecultiveerd’. Wie zoiets over zichzelf beweert, lijkt niet meer te geloven dat iemand hem nog serieus zal nemen. Ook al bespeurt hij bij zichzelf soms ‘het potsierlijke van een profeet’, hij weet dat hij ‘verloren [loopt] in deze smerige wereld’, met achter zich ‘ontgoocheling’, voor zich ‘alleen een storm die niets nieuws bevat, geen lering, geen pijn’.

De vraag blijft hoe letterlijk je deze uitspraken moet nemen. Zijn het ondubbelzinnige bekentenissen of maken ze deel uit van een pose of, positiever geformuleerd, van een ideaal?

Dat ideaal zou dan het ideaal van de dandy moeten zijn, de dandy die zijn pose tot kunstwerk heeft verheven. Over hem schrijft Baudelaire: ‘De dandy moet zijn best doen om non-stop subliem te zijn; hij moet leven en slapen voor een spiegel’. Verderop lezen we: ‘Een dandy doet niets’. Dat laatste kan van Baudelaire onmogelijk gezegd worden. De onverstoorbaarheid die hij de dandy toeschreef, ontbrak nogal eens bij hemzelf. Dat de beschaving naar de haaien ging, kon hem wel degelijk schelen. Een van de meest dandyeske passages in Flitsen, een bekentenis van provocerende onverschilligheid, heeft hij naar eigen zeggen alleen laten staan, omdat hij zijn ‘woede [wilde] dagtekenen’. Een woedende dandy is geen dandy meer.

Hier zie je de tegenspraak in actie. Tegenspraak met zichzelf als vorm van verzet tegen een moderne wereld die de logica aanbidt en overal de schijn van rationaliteit ophoudt. Dat kun je met recht een hopeloze positie noemen. Elders definieert Baudelaire het dandyisme als ‘de laatste opflakkering van heldendom in tijden van verval’, de laatste verschijningsvorm van een bijna verdwenen ‘aristocratie’. De dandy houdt vast aan wat reddeloos verloren is, vermalen door de geschiedenis en haar permanente verandering. Baudelaire weet het nog alleen als ideaal te bewaren. Het behoort als ware tot de ‘eeuwige’ helft van de schoonheid, die de kunstenaar met zijn verbeeldingskracht te voorschijn tovert, na het vluchtige, toevallige en veranderlijke van de dingen (de andere helft van de schoonheid) in zich te hebben opgezogen. Een echte kunstenaar maakt ook van wat hem afschuw inboezemt iets moois, als dichter laat hij bloemen groeien uit het kwaad.

Wellust

Voor Baudelaire was kunst of poëzie tegelijkertijd levenskunst, ook al bestond het resultaat voornamelijk uit literatuur. Maar anders dan de dandy, moest hij hard werken voor zijn kunst. Vandaar dat we onder het kopje ‘Hygiëne’ allerlei fragmenten tegenkomen, waarin de dichter zichzelf aanspoort om nu eens serieus aan de slag te gaan. Dat wordt uiteraard zo paradoxaal mogelijk onder woorden gebracht. Wat hij zou willen is ‘blijvende wellust vinden in mijn dagelijkse kwelling, oftewel in Werk’. En hij maakt plannen om zich in Honfleur bij zijn moeder te voegen, voor een gezond, arbeidzaam leven, ver weg van de drank, opium en verkeerde vrouwen die hem in Parijs van het werk hielden. Dat het er nooit van is gekomen, hoeft niet te verbazen. Juist de contradictie (die in Honfleur tijdelijk zou zijn opgeheven) was de motor van zijn ‘gedoemde’ dichterschap.

Wat er kon gebeuren als hij Parijs toch verliet, tonen Baudelaire’s laatste jaren, waarvan hij er een paar doorbracht in Brussel. Rokus Hofstede, door wie het gekwelde, maar altijd scherp geslepen proza van Baudelaire in prachtig ‘levend Hollandsch’ is omgezet, heeft een reeks notities over het verblijf in België aan zijn vertaling van Flitsen en Mijn hart blootgelegd toegevoegd: België uitgekleed.

Wie geboren is ten zuiden van Hazeldonk kan deze bladzijden beter ongelezen laten. Het gaat van dik hout zaagt men planken in dit relaas over de ‘verveling’ en over het ‘niets’ dat België heet. De ‘algehele fletsheid van het leven’, de ‘Epidemische Futloosheid’ zouden er in Reinkultur te bewonderen zijn. ‘België’, aldus Baudelaire, ‘is wat er van Frankrijk zou zijn geworden als het onder de plak van de bourgeoisie was gebleven’. Waarmee hij bedoelde dat Frankrijk was gered door de dictatuur van Napoleon III, die sinds 1852 regeerde. In Flitsen wordt niet voor niets ‘de man die het volk de zweep geeft en doodt om bestwil van het volk’ aangewezen als de ‘ware heilige’ in de politiek.

Pikant detail is wel dat de – van oorsprong Amsterdamse – uitgeverij die met deze uitgave haar vertalingenreeks van Baudelaire’s kritisch proza afsluit, sinds jaar en dag is gevestigd in Antwerpen. Een contradictie of paradox in de geest van de dichter.

    • Arnold Heumakers