Opinie

    • Menno Tamminga

De vergrijzing – dat was nog eens een tijd!

Wat een opluchting. Van alle angsten kunnen we er een vergeten. De angst voor extreme vergrijzingskosten. Bezworen door het Centraal Planbureau. Dat is (wat ouder en grijzer) nieuws, maar een toepasselijk slot nu deze rubriek deze maand verder niet verschijnt. Goed nieuws is ook nieuws.

Maar eerst mijn lievelingscitaat over de vergrijzingskosten. „We hebben wel voor hetere vuren gestaan. In de jaren veertig en vijftig stond Nederland voor de taak de babyboomers, 2,4 miljoen kinderen, te onderwijzen en voor te bereiden op hun plek in de samenleving. Totdat jongeren gaan werken kosten ze de samenleving enorm veel geld – de groene druk was enorm. Daar klaagden we toen met ons veel kleineren nationale inkomen niet over.”

Aan het woord is Rudi Westendorp (1959), hoogleraar en directeur van de denktank Leyden Academy on Vitality and Aging, eerder dit jaar in de Volkskrant.

Angst is wat je jezelf aanpraat. Of laat aanpraten. Door het CPB bijvoorbeeld. Maar de politici hebben gedaan wat economen van hen verwachten. Zij hebben ‘hervormd’: iedereen werkt langer door. Maar laat u niet foppen: de kosten én de opbrengsten van de vergrijzing zijn nog net zo hoog als zij waren, alleen de verdeling is anders. Minder voor rekening van het collectief, meer voor uw eigen rekening. Typisch Haagse politiek: als de kosten/uitgaven niet op de staatsbegroting drukken, bestaan ze niet.

Het wrange is dat politici steevast tegen open-eindregelingen zijn. Dat zijn subsidies en uitgaven zonder rem. Maar juist hier is sprake van zo’n open einde: de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting. Stijgt de levensverwachting, dan stijgt de AOW-leeftijd mee. Dat is een open-eindregeling die ouderen zelf betalen, niet de schatkist.

De vergrijzingssom is sprekend het door rekenen van verkiezingsprogramma’s door het CPB. De meest geoefende partijen weten welke maatregelen ‘scoren’ in het model en boeken de beste uitkomsten. Wat je erin stopt, komt er uit.

Eén ‘truc’ in het CPB-rapport dat de vergrijzing betaalbaar verklaart, verbaast me. Dat is het gebruik van de term ‘grijze druk’. Zoals Westendorp in het citaat al zei: over groene druk van jongeren hoorde je in de jaren vijftig zelden. Nog steeds overigens. Maar die grijsaards...

Natuurlijk, een vergrijzingsstudie moet ouderen in kaart brengen. Maar welke? Het CPB kiest voor de 65-plussers (‘grijze druk’), maar onderkent dat deze definitie „niet meer vanzelfsprekend” is nu de AOW-leeftijd niet vast meer is maar stijgt met de stijgende levensverwachting. Eigenlijk deugt grijze druk (65-plussers als percentage van de 20-64-jarigen) niet meer, suggereert het CPB, maar komt toch met die cijfers.

En zie, wat je erin stopt, komt er uit. De grijze druk stijgt van 29 procent in 2014 naar wel 51 procent in 2040.

Het CPB kiest een statische opvatting die geen recht doet aan gezonder ouder worden. In Demos, het blad van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, kozen onderzoekers Nicole van der Gaag en Joop de Beer recent een dynamischer invalshoek. Zij keken naar het aantal resterende levensjaren als indicatie voor wat we als oud zijn gaan beschouwen. Zij gaan ervan uit dat je oud bent als je resterende levensverwachting vijftien jaar is.

Dan zien de statistieken er heel anders uit. Een 65-jarige in 1960 is zo oud als een 71-jarige nu. Het aandeel van deze échte ouderen als percentage van de héle bevolking ( in plaats van alleen 20-64-jarigen) stijgt dan van 10 procent nu naar 15 procent rond 2040, piekjaar van de vergrijzing.

Valt mee, toch?

    • Menno Tamminga