De tafelen van Mozes zijn geen bijzettafels

De mens categoriseert en analogiseert voortdurend om greep te krijgen op waarnemingen en gebeurtenissen. Hoe dat gaat en waar dat toe leidt ontrafelt een boek met taalgrappen en woordspelletjes in een eindeloze rij anekdotes en metaforen.

In 1979 verscheen Gödel, Escher, Bach. An Eternal Golden Braid, van de cognitiewetenschapper en computerdeskundige Douglas Hofstadter, over de wonderlijke aspecten die de werken van de genoemde coryfeeën met elkaar gemeen hebben. Het boek, dat vol staat met leuke redeneringen, denk-, taal- en beeldspelletjes, maakte hem in een klap wereldberoemd.

In 2007 kwam het vervolg I Am a Strange Loop (Ik ben een vreemde lus) waarin Hofstadter opnieuw op basis van Kurt Gödels incompleetheidstheorema (in elke consistente rekenkundige theorie bestaan beweringen die waar zijn, maar niet bewezen kunnen worden, red.) en Maurits Eschers gravure De Prentententoonstelling het zelfrefererende karakter en het ik-gevoel van het menselijke bewustzijn beschouwt: ‘Ik kijk naar een wereld als object buiten mezelf waar ik tegelijk als kennend subject een integraal onderdeel van uitmaak.’

Tegelijk is het boek een indringend verslag van de psychose die hij opliep toen zijn vrouw Carol, met wie hij een symbiotische relatie onderhield en een gezamenlijk bewustzijn deelde, op jonge leeftijd aan een hersentumor overleed. Wat hij ervoer was dat een kopie van haar bewustzijn – als een dans van symbolen – in zijn bewustzijn voortleefde.

Hoewel de dood van Carol ook in zijn recentste werk nog een rol speelt, is Hofstadter kennelijk voldoende hersteld om weer te schrijven en is er nu Analogie. De kern van ons denken, waarin hij samen met de Franse psycholoog Emmanuel Sander het talige model ontwikkelt dat aan al ons denken ten grondslag ligt.

De auteurs willen aantonen dat het menselijke vermogen tot het maken van analogieën (zoeken naar overeenkomsten) aan de basis van onze begripscategorieën (in laatjes met etiketten stoppen) ligt, en hoe die begrippen op hun beurt weer door analogieën worden opgeroepen: ‘Kortom, we willen laten zien dat analogie het voedsel en het vuur van ons denken is.’

Wie vreest de tijd of het geduld niet te hebben om het omvangrijke boekwerk in zijn geheel te lezen, maar toch wil weten waar het over gaat, kan volstaan met het voorwoord – waarin kort wordt uitgelegd wat er in de acht volgende hoofdstukken aan de orde komt – en het nawoord, dat de kern nog even samenvat, en dat vanwege de dialoogvorm ‘epidialoog’ wordt genoemd. Maar die mist dan wel alle taalgrappen en woordspelletjes in de eindeloze rij anekdotes, metaforen en analogieën waarmee de auteurs hun beweringen op zeer toegankelijke wijze staven. Wat dat aangaat kan het boek na het lezen zo op de plank naast Hugo Brandt Corstius’ Opperlandse taal- en letterkunde in de categorie ‘vermakelijke taalboeken’ worden gezet.

Ons denken, zo stellen Hofstadter en Sander, is gebaseerd op twee geestelijke activiteiten: het vormen van categorieën en het maken van analogieën. Als we een bepaalde tafel voor het eerst waarnemen, brengen we op basis van analogie dat beeld of begrip in ons brein onder bij de algemene categorie ‘tafel’, die we bewust en onbewust hebben opgebouwd uit alle tafels die we eerder hebben waargenomen.

Pluizig bolletje

Die categorie is geen scherp afgebakend gebiedje in ons (onder)bewustzijn zoals een paar boeken op een plank in de materiële wereld, maar vormt een pluizig bolletje in een virtuele veeldimensionale taalruimte, en vertoont overlap met andere in de buurt liggende pluizenbollen. Want wat bijvoorbeeld te denken van ‘tafels van vermenigvuldiging’, ‘de tafelen van Mozes’ of ‘de Tafelberg’, die daar ook een plaats in hebben, maar slechts in de verte met een keukentafel of bijzettafeltje kunnen worden vergeleken.

In de loop van ons leven bouwen we alle denkbare categorieën door het toevoegen van elementen met naast een vertrouwde kern ook nieuwe aspecten steeds verder uit, niet alleen in de breedte maar ook door toenemende abstractie in de diepte. Een baby zal eerst het woordje ‘mama’ voor een unieke verschijning boven de wieg leren gebruiken, om vervolgens te ontdekken dat andere baby’s ook een ‘mama’ hebben, waardoor de uniciteit verdwijnt en ‘mama’ verandert in het abstractere begrip ‘mama’ en later in het nog abstractere ‘verzorgende ouder’ wat ook een man of een adoptieouder kan zijn, en aan het eind zelfs een mantelzorger of een verpleegster in een inrichting.

Zo lopen we de hele tijd te categoriseren en te analogiseren, en dan niet alleen om ons staande te houden in de alledaagse branding van waarnemingen en gebeurtenissen die ons overspoelt, maar ook de zeldzame, geniale en grensverleggende invallen van kunstenaars en ideeën van wetenschappers komen zo tot stand.

Om dat duidelijk te maken besteden de auteurs een heel hoofdstuk aan de doorbraken in de moderne natuurkunde die door analogiseren tot stand zijn gekomen. Het is immers bekend dat Albert Einstein zijn relativiteitstheorieën heeft verzonnen op basis van analogieën met rijdende treinen, liften en raketten, om die vervolgens naar het veel hogere abstractieniveau van zwaartekracht, gewichtloosheid en kromming van de vierdimensionale tijdruimte te tillen. De kwantummechanica beroept zich op analogieën met deeltjes én golven.

Aan het eind van het boek komen Hofstadter en Sander, die aanvankelijk voorwenden een diametraal tegenovergesteld standpunt in te nemen, na een lange discussie tot de conclusie dat er in de grond geen onderscheid is te maken tussen categoriseren en analogiseren, en dat het intellectuele activiteiten betreft die naadloos in elkaar overlopen: categoriseren is analogiseren en omgekeerd, en we doen dat de hele dag door zij het meestal onbewust.

Wat ook zonneklaar uit het betoog naar voren komt is dat het proces van analoog abstraheren beter uit de verf komt en met grotere kans op succes verloopt naarmate zich niet alleen meer, maar ook in de breedte en diepte uitgebreidere categorieën in ons brein bevinden. Hoewel daar tegenwoordig wel anders over wordt gedacht, kan er op dat gebied van jonge mensen nog niet veel worden verwacht, simpelweg omdat ze in verhouding nog maar weinig tijd hebben gehad om te categoriseren, en dus minder te analogiseren en te abstraheren hebben.

Hoewel het specifieke voorbeeld niet in Analogie staat kan de prestatie van Charles Darwin wel als tekenend voor het nut van een brede en dus tijdrovende geestelijke ontwikkeling dienen, omdat hij zijn evolutietheorie nooit verzonnen zou kunnen hebben als hij niet op de hoogte was geweest van Alfred Wegeners theorie van de drijvende aardschollen en Thomas Malthus’ opvatting over de op competitie gebaseerde economie, en daar sterke analogieën aan kon ontlenen.

Net als de continenten kunnen ook de Galapagos Eilanden na aanvankelijk één gebied gevormd te hebben uit elkaar zijn gedreven en eenmaal afgezonderd hun eigen natuurlijke milieu hebben ontwikkeld, en de biologische soorten die daar ontstonden zouden wel eens op een competitieve voet met elkaar kunnen staan, wat in de tijd dat Gods schepping nog als onveranderlijk en definitief werd beschouwd, wel een grensverleggend idee mag heten.

Eigenlijk is Analogie niet één boek, maar twee boeken, omdat beide auteurs niet konden beslissen of het in het Engels of in het Frans moest worden gepubliceerd, wat gezien de ononderbroken aaneenschakeling van metaforen, spreekwoorden en gezegden waarvan de betekenissen sterk taalgebonden zijn, goed valt te begrijpen. Uiteindelijk is er besloten tot het gelijktijdig publiceren in twee talen: Surfaces and Essences en L’Analogie, coeur de la pensée.

Derde boek

Aansluitend hierop moet iets gezegd worden over de Nederlandse vertaling van Jan Pieter van der Sterre, die sommige voorbeelden uit het Engels en andere uit het Frans heeft overgenomen, maar de meeste direct aan het Nederlands heeft ontleend. Vanwege de couleur locale heeft de vertaler ‘golfen’ en ‘auto’ uit de Engelstalige versie vervangen door ‘voetbal’ en ‘fiets’, wat zoals hij zelf terecht opmerkt, ‘moet kunnen in een boek over analogie’. Daarom moet een adequate vertaling een helse klus zijn geweest, die aan het resultaat te zien door Van der Sterre voortreffelijk is geklaard en eerder een derde boek dan een vertaling heeft opgeleverd.

Als punt van kritiek kan gelden dat de auteurs hun ideeën als hoogst origineel presenteren, terwijl de pluizenbollen in de veeldimensionale taalruimte toch sterk doen denken aan Ludwig Wittgensteins Filosofische onderzoekingen, en deze originele taalfilosoof in het hele boek maar één keer en dan nog slechts terloops wordt genoemd. Wittgenstein heeft zoveel eerder immers de betekeniswolk van een begrip al omschreven als de optelsom van alle zinnen waarin het begrip voorkomt, analoog aan een soort speldenkussen dus, met de zinnen als spelden en het betreffende begrip in het midden als kussentje. Verder had in de Nederlandse versie de hier en daar voor Europese begrippen wel erg joviale Amerikaanse schrijfstijl en het getutoyeer van de lezer wel wat formeler vertaald mogen worden.

Aan de andere kant laten de auteurs zich in hun metaforenobsessie soms inspireren tot al te hoogdravende en bloemrijke uitdrukkingen, zoals ‘toen de dochter van een van de schrijvers van dit boek zich verhief tot de volledige mentale hoogte van haar zeven zomers’, of ‘zonder de constant pulserende hartslag van onze “categoriseringsmachine” zouden we niets om ons heen begrijpen.’

Wat ten slotte nog opvalt is dat Douglas Hofstadter zich van fervente aanhanger van ‘sterke AI’ naar een veel mildere vorm van computeradept heeft ontwikkeld. Aanvankelijk geestverwant van Daniel Dennett – ‘mijn oude collega en trouwe vriend Dan’ – die er niet aan twijfelde dat er een machine met menselijk bewustzijn gebouwd zou kunnen worden, is hij tegenwoordig minder onder de indruk van de prestaties van kunstmatig intelligente machines.

Vertaalmachines

Als voorbeeld geeft hij een tekstje waar de uitdrukking ‘te goeder trouw’ in voorkomt en dat hij aan verschillende vertaalmachines heeft voorgelegd, waarna hij zich vrolijk maakt over de inderdaad soms lachwekkende resultaten en concludeert: ‘Hoe kunnen we dit alles overziend verklaren dat computers hopeloos achterliggen als het om serieus denkwerk gaat? Waarom is automatisch vertalen vaak zo dom en onbeholpen? Hoe is het mogelijk dat de huidige zoekmachines op commando in één keer miljarden websites kunnen afzoeken die de uitdrukking “te goeder trouw” bevatten, maar geen enkele website kunnen vinden waarop het idee “te goeder trouw” het centrale thema is en niet enkel een reeks alfanumerieke tekens?’

En dan komt de aap uit de mouw: ondanks de relatieve traagheid en onbetrouwbaarheid van ons biologische brein komt onze superioriteit voort uit ‘het mentale mechanisme van categorisering via analogie dat de kern van ons denken uitmaakt’, en daar kan een machine, hoe snel en betrouwbaar ook, geen kant mee op.

Zoals René Descartes vierhonderd jaar geleden het criterium voor het onderscheid tussen mens en dier bij het menselijke taalvermogen legde, zo doen Hofstadter en Sander dat nu voor het onderscheid tussen mens en kunstmatig intelligente machine.

    • André Klukhuhn