Concertgebouworkest had ooit twee leiders

Waarom geen twee dirigenten in Amsterdam als opvolgers van Mariss Jansons? Het verleden bewijst dat het kan.

Pierre Monteux Foto Adrian Siegel

Wegens Mariss Jansons’ aanstaande vertrek is het Concertgebouworkest op zoek naar een nieuwe chef. Dat is een vanouds beladen onderneming. Want het orkest zoekt meer dan superieur vakmanschap. Behoefte is er bovenal aan een charismatische leider. Aan een ster met mythische dimensies.

Het geloof in de ene, ‘ware’ chef is een typisch twintigste-eeuws fenomeen. De beroemdste dirigenten – van Fritz Reiner tot George Szell, van Arturo Toscanini tot Herbert von Karajan – waren eenzame giganten die hun orkest autocratisch regeerden en als halfgoden werden vereerd.

Maar zijn cultfiguren ook altijd de grootste dirigenten? Op 1 juli was de vijftigste sterfdag van Pierre Monteux (1875-1964), de charmante Parijzenaar die van 1924 tot 1935 bij het Concertgebouworkest furore maakte als vaste ‘eerste dirigent’ naast de chef Willem Mengelberg. In vergelijking met z’n tirannieke collega was Monteux de bescheidenheid zelve. „Muziek interpreteer ik niet, ik spéél haar slechts.”

Wereldberoemd was Monteux sinds de scandaleuze première in Parijs van Stravinsky’s Sacre du Printemps (1913). Monteux begon z’n carrière als specialist tegen wil en dank. Toen Stravinsky hem in 1911 de première van Petroushka liet leiden, voelde hij zich eerder beschaamd dan trots. „Ik, Monteux, interpreet van Beethoven en Brahms, als balletdirigent!”, riep hij verontwaardigd uit. Het kostte hem tijd om aan het idee te wennen.

Monteux’ roem is geheel door die van Mengelberg overvleugeld. Op zijn Wikipedia-pagina staat één zin over zijn Amsterdamse tijd. Van zijn opnamen met het Concertgebouworkest bleven er maar een handvol bewaard.

Monteux was een maestro zonder mythe. Zijn dirigeerstijl was rustig en aristocratisch-beheerst. Niets van de exaltatie en gewichtigheid die we tegenwoordig met grote maestro’s associëren. „Ik heb muziek leren spelen zoals zij geschreven is. En geloof me, dat volstaat, dat volstaat!” Zijn opnamen met het Concertgebouworkest bewijzen zijn gelijk. Zijn Petroushka is rustig en ontspannen, vrij van de gretige virtuositeit die veel moderne uitvoeringen kenmerkt. Zijn Brahms is vol drama, maar altijd zwierig en elegant. Monteux was, in één woord, een exponent van de negentiende eeuw: de tijd waarin niet zozeer aan dirigenten, maar vooral aan componisten cultische eer werd bewezen.

Monteux’ nagedachtenis nodigt uit tot reflectie. Is het geloof in de ‘legendarische maestro’ nog wel van deze tijd? Roland Kieft, artistiek directeur van het Residentie Orkest, denkt van niet. „Het repertoire van moderne orkesten is zo enorm breed geworden dat één chef niet meer in alles kan excelleren. In Den Haag kiezen we ervoor met twee gelijkwaardige vaste dirigenten te werken. Jan Willem de Vriend is aangesteld voor het klassieke en vroegromantische repertoire. Voor laatromantiek en moderne tijd zoeken we nu een tweede man.”

Of het Concertgebouworkest deze stap eveneens zal durven zetten? De erfenis van Monteux en Mengelberg laat in elk geval zien dat het kan.

    • Bas van Bommel