Vragen over oude Koranfragmenten

De oudste Koranfragmenten in de UB Leiden stammen uit 650-700 na Christus, blijkt uit analyses. Maar 650 of 700, dat maakt nogal wat uit, zegt arabist en historicus Petra Sijpesteijn.

foto UB Leiden

Bij de Leidse Universiteitsbibliotheek waren ze kennelijk in de wolken. Op 21 juli jongstleden stuurde de UB een persbericht uit dat zo begon: ‘De alleroudste Koranfragmenten die de Universitaire Bibliotheken Leiden in bezit hebben, stammen uit de tweede helft van de zevende eeuw, ongeveer 30 tot 70 jaar na de dood van de Profeet Mohammed. Dat heeft een net afgeronde koolstofanalyse uitgewezen. Het resultaat sluit aan bij de officiële islamitische leer.’ Niet alleen opmerkelijk nieuws, maar ook meteen een ferme duiding.

De analyse van de Leidse fragmenten past in het Coranica-project, een groot internationaal onderzoek naar de vroege tekstgeschiedenis van de Koran. Dat is in 2007 begonnen door de Deutsche Forschungsgemeinschaft en de Franse Agence Nationale de la Recherche, onder coördinatie van de Berlin-Brandenburgische Akademie der Wissenschaften. Bij dit onderzoek wordt niet alleen gekeken naar teksten, maar worden ook fysieke fragmenten gedateerd met de C14-methode. Zo veel mogelijk bekende Koranfragmenten worden bij het project betrokken. Ook de UB van Leiden, die een beperkt aantal fragmenten beheert, werd benaderd en werkte graag mee.

De Koranfragmenten zelf, op papyrus en perkament, bevatten geen datering. Op basis van het langgerekte, schuin hangende Arabische schrift dat Hidjazi genoemd wordt, was het papyrusfragment eerder voorzichtig gedateerd op ongeveer 770-830 na Christus. De recente C14-analyse wees uit dat het ouder is en dateert uit de periode tussen 650 en 715. Aan een leeftijdsschatting van de perkamenten fragmenten had nog niemand zich gewaagd. De onderzoekers van Coranica houden het erop dat het oudste Leidse fragment op perkament, met de verzen 96-105 uit Soera 16, waarschijnlijk dateert uit 650-700 na Christus.

Rotskoepelmoskee

Hoe belangrijk is deze uitkomst? Petra Sijpesteijn, arabist en historicus, doceert in Leiden onder meer geschiedenis van de islam. Ze is net terug van sabbatical en is verrast. Niet zozeer door de uitslag, maar door de presentatie. Ze wijst er meteen op dat de foutmarges bij C14-onderzoek nog steeds fors zijn. „Die zijn de laatste tijd weliswaar geslonken van eeuwen tot decennia, maar het maakt nogal wat uit of een fragment uit 650 stamt of uit 700. Dat zijn in de geschiedenis van islam al verschillende werelden. Eigenlijk moeten we eerst een bestand hebben met teksten waarvan we een absolute datering hebben, in de tekst zelf of op basis van de archeologische context, om die dan te onderzoeken met de C14-methode.”

Verder is het met fragmenten de vraag of je te maken hebt met een koranisch citaat of met een bladzijde uit een heel boek. Sijpesteijn: „Neem de beroemde citaten in de Rotskoepelmoskee in Jeruzalem. Die zijn duidelijk herkenbaar als verzen uit de Koran en we weten dat die inscripties dateren van 692 AD. Maar laten die nu zien dat de tekst al op schrift bestond en dat mensen daaruit citeerden, of waren het teksten die mondeling de ronde deden?”

Als het fragment uit 700 dateert, is dat niet schokkend, vindt Sijpesteijn. Eerder dit jaar publiceerde de Franse Koranonderzoeker Francois Déroche een overzicht van tot nu toe bekende handschriften van de Koran uit de perioden der Omajjaden (661-750), de eerste dynastie van kaliefen (opvolgers van de profeet Mohammed), die resideerde in Damascus. „Déroche’s grote bijdrage is dat hij het voorstuk, middenstuk en eindstuk heeft gevonden van een vroege Koran: de Codex Parisino-petropolitanus, zo genoemd omdat de delen worden bewaard in Parijs en Petersburg. Dat is een nagenoeg volledige tekst, en die is van begin 8ste eeuw. Fragmenten, afzonderlijke folio’s en citaten zijn er al uit het derde kwart van de 7de eeuw. Daarom sta ik hier niet van te kijken.”

Standaard-Koran

Wat opvalt, is dat de UB in de datering van de Leidse fragmenten al meteen een bevestiging ziet van de ‘officiële islamitische leer’. Volgens de overlevering besloot Uthman, de derde kalief, rond 650 dat er teveel uiteenlopende lezingen van de Koran in omloop waren. Hij stelde in Medina een commissie samen die op basis van al op schrift gestelde verzen en mondelinge overleveringen een definitieve versie van de Koran opstelde. Vijf exemplaren daarvan werden naar steden in het pas veroverde rijk verzonden en sindsdien zou er niets meer zijn veranderd in het boek. Hoe geloofwaardig is dat verhaal? Sijpesteijn: „Er blijven ook daarna nog varianten bestaan, met een enkel ander woord of een wat andere indeling in verzen. Het kopiëren van teksten was mensenwerk en daarbij werden fouten gemaakt. Maar als we alle Koranfragmenten vergelijken die we hebben uit de vroegste periode, zien we weinig spectaculaire variaties.”

Toch kun je niet zeggen dat de datering van het oudste Leidse fragment deze traditie over ‘de Koran van Uthman’ bevestigt, vindt Sijpesteijn. „Het is helemaal niet zeker dat dit fragment uit 650 is. Zoals gezegd, als het uit 700 is, is dat al een wereld van verschil. Het is een klein fragment, en ook dat gegeven vormt geen bevestiging voor de traditie, tenminste als je die zo leest dat er al in 650 een volledige standaard-Koran bestond. In die zin is het persbericht te eenzijdig en te veel gericht op het uitlokken van reactie. Het neemt stelling in een lopend debat, zonder eenduidige argumenten voor of tegen. En dat helpt het debat niet verder.”