Katermuziek van Portishead

Ik hoef maar een paar tonen van Portishead te horen, en dan denk ik: aaargh! Kater! Dat zit zo. Precies twintig jaar geleden – toen hun debuutplaat Dummy uitkwam – ging ik op kamers. Het Leidse studentenhuis was precies zo’n teringbende als je zou verwachten. Bij huisfeesten knalden de flessen kapot tegen de muur, rond de jaarwisseling vlogen de strijkers door de gangen.

Het was niet de enige geluidsoverlast. Onze punkband oefende wekelijks op zolder. Mijn dj’ende onderbuurman slingerde dagelijks een paar uur techno uit zijn Technicsen. Omdat dat niet geheel mijn smaak was, liet ik mijn speakers dan weer wat Sonic Youth retour knallen.

Oh ja, af en toe gingen we ook nog naar college.

En daarna dronken we weleens wat. En telkens als ik weer met the worst hangover from hell in mijn bed lag uit te brakken, gleden in de kamer onder mij de vaste opwarmplaten op de draaitafels. Altijd met zo’n lome, zacht tikkende drumbeat, soms met een fantastische Run DMC-sample erdoorheen: „It’s like, wì-aaa-wì-aaa-wì-aaa-wì-aaa-wì-… It’s like that...”

Zeven jaren begonnen mijn katerdagen met Portishead, het tamelijk briljante drietal uit Bristol. Ik mocht dat van mezelf eigenlijk helemaal niet goed vinden. Want alles wat uit Engeland kwam, hield ik destijds hardnekkig vol, was volkomen ruk. Dat van hype naar hype hobbelende kloteland terroriseerde gitaarfans als ikzelf voortdurend met die hysterisch bejubelde Britpop, altijd weer gemaakt door dezelfde soort vreselijke aanstellers als Suede, Oasis, Blur, Pulp en Manic Street Preachers. Oké, The Beatles, Black Sabbath, Motörhead en – vooruit – Iron Maiden, die konden ermee door. Maar de rest? Tegen de muur ermee.

Maar Portishead, daar was iets mee. Ze maakten zoals dat heette ‘triphop’ – vast weer zo’n door een gewiekste Britse marketingpipo verzonnen nepgenre. Wat nou trip? Zo lang duurden die nummers toch ook weer niet? En wat nou hop? Alleen, omdat je héél soms een naald hoorde krassen? Werkelijk?

Die band klonk toch gewoon als een tranen-in-je-bier-huil-jazzcombo, dat voor een paar grijpstuivers als naprogramma in een New Yorkse nachtclub speelde, waar uitgerangeerde gokkers ongeïnteresseerd toekeken vanaf de tafeltjes waaraan ze de hele avond hadden verloren?

Ik zag het in ieder geval helemaal voor me: hoe zangeres Beth Gibbons in ‘Glory Box’ als een voluptueuze souldiva tegen de laatste lamme stamgasten tekeerging. „Give me a reason to love you. Give me a reason to be a woman!” Met haar keel scheurde ook haar ziel open, precies zoals ook die fabuleuze gitaar in het refrein door merg en been wist te krassen.

Nou, niet dus.

Gibbons bleek in het echt een jammerend scharminkel te zij, een vrouw die bijna even dun was als de sigaret die ze standaard tussen haar sprietvingers klemde. Maar op een of andere manier deed het haar pijn nog echter en intenser te lijken. Ik wist het zeker: vergeleken met haar kwellingen stelden mijn ochtendjes met hoofdpijn helemaal niets voor.