Oordropjes

Ergens tussen de loempia’s van Llow Chi Minh en de Titty Twister zag ik een bekende lopen. „Frah-hank!” riep ik, maar Frank liep stug door, zonder om te kijken. Even overwoog ik om hem achterna te rennen, maar ik had drie plastic bekers bier in mijn handen en een volle blaas.

Een kwartier later zag ik Frank weer, bij de Dixi’s. Hij omhelsde me alsof we elkaar jaren niet gezien hadden. „Niet zo hard. Ik moet plassen”, mompelde ik. Hij peuterde in zijn oren en haalde er twee knaloranje, schuimrubberen doppen uit. „Wat zei je?”

Ik staarde naar de oranje stukjes in zijn handpalm. Tot dat moment had ik altijd gedacht dat oordopjes in dezelfde categorie vielen als tampons: je koopt ze, doet ze in, maar laat ze nooit aan iemand zien - zeker niet na gebruik. De twee exemplaren van Frank hadden zelfs de vorm van tampons: alleen het touwtje ontbrak.

Maar toen ik erop ging letten, leek opeens heel Lowlands oordopfanaat. Het meisje voor mij in de Dixi-rij had paarse doppen in, en tijdens Nine Inch Nails zag ik een man twee geelgroene exemplaren uit zijn oren halen. Hij stopte ze liefdevol in die van zijn vriendin.

Gehoorbescherming was plotseling hip. Misschien was dat al langer zo, maar had ik het niet willen inzien door mijn trauma. Dat betrof niet zozeer die schuimrubberen mini-tampons, maar een andere oordopcategorie: de bleekroze bijenwasbolletjes. Die Ohropax-bolletjes die je per twaalf in een doosje koopt, en die stuk voor stuk zijn omhuld met bleekroze watten. Zonder watten lijken de dopjes sprekend op een twaalfling naakte-molratbaby’s. Met watten is zo’n dopje net een suikerspin.

Nu was ik ooit dol op suikerspinnen, zelfs al raakten ze in plakkerige plukken in mijn haar verstrikt. Maar die liefde bekoelde toen mijn neef me voor mijn achtste verjaardag een zelfgemaakt cadeau gaf. Een mini-suikerspin. „Voor je Barbie”, zei hij.

„Die doet aan de lijn”, antwoordde ik, „hoe denk je anders dat ze zo dun blijft?” In één hap beet ik het zachte roze van de satéprikker.

Vies was het niet. Het dunne wattenlaagje proefde ik nauwelijks. En het binnenste van de Ohropax-spin leek qua textuur op uitgekauwde kauwgom, of op de snotbolletjes die ik stiekem weleens maakte, alleen dan minder zout. Maar het was de pure verbijstering - het indalende besef dat de wereld niet zo mierzoet was als ik tot dan toe had gedacht - waardoor ik vanaf die dag een oordoploos leven leidde

Tot Lowlands vorig jaar. Toen ik na mijn ontmoeting met Frank in mijn tent lag en tevergeefs probeerde te slapen te midden van snurkende, scheldende, seksende buren, besloot ik: het is genoeg geweest. Ik tastte naar mijn backpack, zocht tussen mijn schone ondergoed en mijn toiletspullen naar de zak zoute griotten die ik had meegenomen. Twee griotjes, voor elk oor een. De suikerkorreltjes schuurden een beetje, maar verder pasten ze precies - volmaakte oordropjes.

Ik sloot mijn ogen en droomde over loempia’s. Het leven was opeens weer zoet.